HomeEen woord over "de waarheid" van Generaal Van SwietenPagina 12

JPEG (Deze pagina), 865.72 KB

TIFF (Deze pagina), 7.67 MB

PDF (Volledig document), 27.97 MB

l 10 i
vervallen versterkingen te herstellen , dat hen dan telkens jl, ­
4 door het vuur der schepen is belet geworden; en de in- ill
· spanning, welke het nemen der meest oostelijk gelegene dier l
i versterkingen na het debarkement der landingstroepen heeft
gekost, rechtvaardigt de vraag: wat de vüand daarvan had kun-
.nen maken, zoo 1nen hem rustig zgn gang had laten gaan? ' `
‘ l
, _ Men ontnam door den te spoedigen aanvang. der vijan- V
delijkheden -­ zoo beweert de generaal var: Swmruiv verder -- ` al
izich de verdere gelegenheid tot onderhandelen. En verder p
l komt het hem voor, dat de vredelievende pogingen, die, ïp {
vt luidens het Gouvernementsbesluit van 14 Maart 1873 La. V,
aan de oorlogsverklaring moesten voorafgaan , zeer luttel en
1 niet van dien aard zijn geweest om er een goeden uitslag van te E
kunnen verwachten; op welk thema hä daarna verschillende " V
variatiën levert. `
Bä dezen allen stil te bläven staan zou mij te ver voeren.
_ Genoeg zg het te doen uitkomen, dat de generaal VAN SWIETEN i
­ zich ook hier een geheel onjuist uitgangspunt heeft gekozen.
l Het besluit van 14 Maart 1873 La. V regelt de samen-
r stelling en sterkte der naar Atjeh bestemde expeditionaire in
landmacht; daarin wordt inderdaad vermeld, dat haar doel is xt
· om bg onverhoopte mislukking der door den Gouvernements- `
·l Commissaris, belast met de politieke leiding dier expeditie ,
, daartoe vooraf aan te wenden pogingen van vredelievenden V
aard, desnoods door kracht van wapenen, de bestuurders ‘
van het rgk van Aqeh te noodzaken, om te voldoen aan de
r hen door den Gouvernements-Commissaris te stellen eischen. ;
Maar mag de generaal VAN SWIETEN dat besluit inderdaad
r vermelden tot karakteriseering mijner zending? Hij, voor wie V
geen enkel document in de Atjeh­zaak verborgen is gebleven E .
en die bovendien van de geschriften van den Luitenant-Kolonel _
J. J. nn Roonnmoivr een üverige studie heeft gemaakt? .
In het 3de hoofdstuk van het werk van dezen, getiteld;
l