HomeGronden voor de beoefening der Germaansche rechtsgeschiedenisPagina 9

JPEG (Deze pagina), 750.23 KB

TIFF (Deze pagina), 7.03 MB

PDF (Volledig document), 24.44 MB

7 . l
hebben kunnen verwerven. Had men dit gedaan, men zou
hebben verzuimd rekening te houden met het feit dat ik (
reeds aanstipte, dat ook de meest despotisohe invoering
en toepassing van een vreemd recht in geen jaren de her-
innering aan oude rechtsinstellingen kan uitroeien en hun Q
invloed uitwissohen. I
Men kon ook een ande1·en weg inslaan en geheel tot h H
het oude terugkeeren. Dit zou eveneens een dwaalweg zijn j
geweestj Ook de periode onder Fransche overheersching .
doorgebracht, kon en mocht niet worden weggecijferd. Ook S
de wetten die in dat tijdvak hadden gegolden, hadden op F
de natie een indruk teweeggebraeht waarmêe rekening
moest worden gehouden.
Het zou reeds a priori niet zijn aan te nemen dat onze l
4 wetgever in één dier twee uitersten ware vervallen, en {
l trouwens de feiten spreken. Bij het behoud van veel (zeker
. te veel) Fransche bepalingen, is men in meer dan één t_
opzicht (ik noem slechts het huwelijks-goederenrecht) tot D
onze oud­vaderlandsche rechten teruggekeerd. Maar boven- i
dien, voor een groot deel is de Fransche wetgeving ge- _‘
sproten uit eene bron die ook voor Nederland vloeide. H
Het oud­Fr. en oud­Nederl. recht stemden op menig punt,
bij geringe afwijking, in hoofdzaak overeen. Verschillende R
rechtsinstellingen in beide van ouds bekend, zijn in onze K
wetgeving opgenomen. En waar is nu de grond die ons zon v l
’ doen gelooven, dat bij die opneming het uitheemsche niet r l
het oud­vaderlijke beeld den wetgever heeft voor den geest 5
gestaan, en hij het eerste, niet het laatste heeft willen l i
weergeven. i ï
Die grond is niet te vinden en dus nog eens, het is
eene dwaling aan te nemen dat in 1838 met ons oude
recht is gebroken.
Zelfs wanneer dus de universiteit tegenover hen die er
l i
l
i 1
l
1
i
;.«