HomeGronden voor de beoefening der Germaansche rechtsgeschiedenisPagina 8

JPEG (Deze pagina), 776.76 KB

TIFF (Deze pagina), 7.03 MB

PDF (Volledig document), 24.44 MB

6
ä malen, den palmslag, den hamerslag, allen overblijfselen
van het oude rechtsleven.
i Ik zeide dan, door geen wettelijke regelen is aan inge-
g wo1·telde instellingen een plotseling einde te maken.
i Al is dus ook naa1· het heet in 1838 hier te lande een
, nieuw recht ingevoerd, en wel een grootendeels aan het
i Fransche ontleend, men meene niet dat hierdoor inderdaad
met het oude volkomen is gebroken.
C Vraagt gij, of dit dan k1·acht en beteekenis kon hebben
I behouden naast de zooeven genoemde afschaiïingsbepaling,
j en hoe?
Ik wijs in de eerste plaats op de gebruiken, waaraan
bij de wet uitdrukkelijk kracht is gelaten. Deze zijn voor
i een goed deel overblijfselen van het oude recht. Om ze te
l verstaan en oordeelkundig toe te passen, dient men ze te ·
beschouwen in verband met het stelsel waarvan zij een l
g deel hebben uitgemaakt en dat ze kan helpen verklaren. ·
In de tweede plaats wijs ik op de macht der praktijk,
i_ die, geven ook nieuwe wetten nieuwe voorschriften, zich
j zelden zeer gewillig schikt in het verlaten der oude paden
en die, zoo ze al genoodzaakt kon worden om tijdelijk den
j nieuwen weg te bewandelen, toch steeds tal van zijpaadjes
i weet te vinden welke tot den ouden weg terugvoeren.
g Niets is moeilijker uit te roeien dan de Stylus Curiae.
Ook ten onzent treft men verschillende gerichtsgebruiken
aan, die in het oude recht hun oorsprong vinden en wier '
bron men moet kennen om ze of te waardeeren, of waar
ze dit verdienen met vrucht te bestrijden.
In de derde plaats. Bij de samenstelling onzer wetgeving
waren er twee uitersten denkbaar. Men kon zoo nauw-
keurig mogelijk eene navolging geven van het Fransche
recht, dat bij zijne vele gebreken toch ook genoeg licht-
i punten bevatte om zich de sympathie van sommigen te
l
ä
l