HomeHet doel en de methode der wetenschap van het koloniale rechtPagina 8

JPEG (Deze pagina), 837.38 KB

TIFF (Deze pagina), 7.41 MB

PDF (Volledig document), 20.18 MB

li M
ll .
p G
is, en toereikende zou zijn om het land te blijven besturen ,
= zelfs dan, wanneer de tusschenkomst van het opperbestuur plot- ä
5 · seling moest ontbeerd worden. En ofschoon die macht nimmer i
een souverein gezag genoemd kan worden, omdat zij aan eene _
andere regeering - het Rijksbestuur - ondergeschikt is, heeft l
zij echter daarmede in zooverre eenige overeenkomst, dat zij geheel ·,
georganiseerd is en al de instellingen bezit, die noodig zijn voor
de verschillende functiën, welke aan eene >>’)°@g667"’£’)’lgH toekomen. ,
En terwijl zij in zooverre met een provinciaal of gemeentebe-
1 stuur kan worden gelijk gesteld, dat zij afhankelijk is van een
souverein gezag, zoo verschilt zij daarvan essentiëel, omdat zij j
in het volle bezit is van de macht en van de instellingen, die l
i noodig zijn om eene op zich zelve staande politieke eenheid
te besturen. Werd een gemeente plotseling tot een onafhan- 3
kelijk bestaan geroepen, eene algeheele hervorming van haar . j
bestuur en reorganisatie zijner functiën zou noodzakelijk zijn: i
voor eene kolonie zou de bestaande organisatie in zulk een _
geval voldoende wezen.
1 J Deze eigenaardige, min of meer zelfstandige en toch onder- *
_ geschikte stelling der kolonie doet ons vermoeden, dat de be-
trekkingen tusschen haar en het souvereine Rijksbestuur in het
moederland niet door de regels worden beheerscht, welke tus-
schen van elkander onafhankelijke staten gelden, of tusschen
den staat en zijne min of meer belangrijke onderdeelen, zooals
provincie, district of gemeente. Men versta mij wel. Ik be- `
weer niet, dat men ter verklaring dier betrekkingen de hulp j
zou kunnen ontberen van de wetenschap, die zich met de or-
ganisatie van den staat in zijne inwendige betrekkingen bezig .
houdt of van die andere wetenschap, welke de organisatie van
de maatschappij tot het doel van hare onderzoekingen maakt,
want in staatsrecht en staathuishoudkunde beiden vindt onze
studie hare natuurlijke zusters. Maar niemand zal wel bewe­ i
ren, dat de problemen, die uit de verwerving en het bezit van
E
ä