HomeLiberalisten en JodenPagina 16

JPEG (Deze pagina), 732.72 KB

TIFF (Deze pagina), 5.47 MB

PDF (Volledig document), 24.88 MB

14 *2
· sympathieën en anlipathieën. In de keuze van zijn beroep .
en· van zijn vermaken.
Zelfs in levensduur zijn de Joden van de overige Europeërs '
onderscheiden, en percentsgewüze leveren zij verreweg de
grootste bijdrage voor de achterhoede van onze grijsaards
en bejaarde vrouwen. Q
` En dit contrast tusschen den Jood en den niet­Jood`is
zoo weinig slechts een voorbijgaand verschil, dat het, na
achttien eeuwen, onder alle volken, nog bijna onverzwakt
in zijn oorspronkelijke gestrengheid uitkomt.
· Overal en allerwegen is de Jood, naar ziel en lichaam
beiden, d. w. z. in geheel zijn persoonlijkheid en levens-
verschijning, Jood gebleven. In alle landen van Europa sluit
de Jood zich nog zijn stamverwanten als een bij-
zondere kaste aan. En zelfs na het in onbruik raken van ’
vele hunner particularistische gebruiken, zijn de Joden in
alle hoeken en uiteinden van ons werelddeel nog steeds in ·
veel strenger zin een natie gebleven, dan eenig Europeesch
volk ooit een natie was. ,
Bij het licht der Openbaring kan dit allerminst be- `
vreemden. j
_ Dan toch weet men, dat Israëls oorsprong in een won-
derbare scheppingsdaad Gods lag 1); dat dit volk op geheel `
bijzondere wijze tot een eigen volk onder alle volken was
afgezonderd; en dat Israëls roeping, wel verre van met Jeru­ "i
zaleins verwoesting ten einde te zijn geloopen, zal blijven
voortduren, tot eens het ontzaglijk drama der natiën en der
volken op deze aarde zal zijn afgespeeld
Immers, uit al wat we in de Heilige Schrift van Israël
lezen, liet zich met noodwendigheid vooraf reeds profeteeren, ·
wat we nu feitelijk van Israël zien. Met name dat het
ce niet zou zijn uit te roeien; b dat het steeds een natie
met exeeptioneele geestesgaven zou zijn; en c dat het, (
zoolang het zelf den Christus verwierp, steeds bondgenoot der ` .
machten zou blijken te zijn, die het Christendom bestrijden.
Het loochenen van Israëls meerdere uitnemendheid ligt
dus allerminst op onzen weg, en er zal dan ook geen woord
uit onze artikelen spreken, dat ook maar van verre riekt
naar de laatdunkende minachting, waarmeê men, in som-
1) Cf. Rom. IV;19-21. 2) Rom. XI : 25, 26.
, x