HomeDe nieuwe Hollandsche waterlinie in bescherming genomen tegen de jongste, naar aanleiding der Wet van 18 April 1874 (no. 64), puPagina 78

JPEG (Deze pagina), 851.25 KB

TIFF (Deze pagina), 6.97 MB

PDF (Volledig document), 67.97 MB

76
te Brielle zal de gestelde stuw den gemiddelden vloed- of {
ebstand zelfs allerwaarschijnlijkst in `t geheel niet, of slechts
onbeduidend wijzigen,
Denkt men zich de Noord (die bij dien toestand waar- ,,
schünlijk ook meer water dan thans, op de Lek zal brengen), l
enz. eens weg, dan zoude11 de Nieuwe Maas e11 ’t gedeelte
der Lek beneden de stuw, bij ebstand te Brielle (gem. eb
+ 0.46), een bassin vormen, met weinig verhang. De te i
L Brielle invallende vloedgolf (gem. vloed + 0.89) zou dus,
zonder veel in hoogte te verliezen, waarschijnlijk wel ongeveer
met hetzelfde peil beneden tegen de stuw verschijnen.
Is dit zoo, dan zou zich, tüdens den vloed, büde gestelde
stuw het volgende voordoen:
10. Bovemuaarts werkt op de keering der stuw, in den zin
van rivier-afwaarts, een, tot ongeveer -4- 2, opgezet rivier-
gedeelte, met gering verhang (1), met geringe snelheid tegen
die keering botsende.
20. Bemaclemuacwts werkt op de keering der stuw, in den
zin van rivier­opwaarts, een door het vloedgetij, van af ebbe­
peil al meer en meer opgezet wordend riviergedeelte, tegen jj
de keering met een snelheid botsende, die afhankelijk is van I ·
de helling de1· naar de stuw toegekeerde zijde der vloedgolf.
Die snelheid zal nul zijn, als het onmiddellijk beneden de z .
keering hoog water (stel ­j­ 0.89) is geworden. Er is dan,
in den zin van rivier­opwaarts, tegen de keering der stuw
slechts, zoo te zeggen, een statische druk, geen botsing
meer.
Dit is eveneens het geval het daaropvolgende ebgetü;
de stuw bläft in die periode in volkomen denzelfden toestand,
als alle dergelijke op bovenrivieren gebouwde kunstwerken. _
Alleen tüdens het water onmiddellijk beneden de stuw, ten
gevolge van het vloedtij rijst, is die toestand anders.
Is zg daardoor echter eene onmogelijkheid? Om dit te
beantwoorden, zonden wij moeten weten de tusschen eb- en
vloedstand (stel + 0.46 en ­­|­ 0.89) gelegen rivierstand on- N
middellnk beneden de stuw, die met de bijbehoorende snel- N
heid (rivier­opwaarts, ten gevolge van het vloedtü) de meeste ,
(maximum) werking op de keering zou uitoefenen. Dan zou
(I) Slechts benoodigd, om af te kunnen voeren de weinige, overblijvende hoe-
veelheid water, die de inondaticsluizen in beide Lck­dijken niet hebben kunnen
absorbceren. ä
ll
l