HomeDe nieuwe Hollandsche waterlinie in bescherming genomen tegen de jongste, naar aanleiding der Wet van 18 April 1874 (no. 64), puPagina 67

JPEG (Deze pagina), 891.42 KB

TIFF (Deze pagina), 6.87 MB

PDF (Volledig document), 67.97 MB

55
meld, ook bezuiden de Linge de zuidelijke en oostelijke keer-
kaden zijner inondatie geenszins beveiligd zijn voor daarin te
maken eoupures, valt dadelijk in het oog. Een vijand zal dan
ook niet nalaten zulks te doen; hij verkrijgt daardoor verloop
van water door de slooten der aangrenzende polders; dwingt
ons dus tot veel meer wateraanvoer, wat bij een beperkten
j' toevoer, een groot nadeel is. Buitendien komen, wat hem
lf betreft, slechts terreinen onder water, die hij, door de lage
ä ligging, toeh voor een geregelden aanval bijna niet gebruiken
jj kan. Uitbreiding van de inondatie, op ­l- 0.9, tot haar na-
_ 1% tuurlijke.«grenzen, is hier dan ook te wachten.
r Nu gelooven wij , volgens een globale schatting , dat men .
de tot dat peil benoodigde hoeveelheid, wel op ongeveer 10
millioen M3. water mag stellen. Deze moeten geleverd worden
door de Linge , ­- maar die, zooals door ons is aangetoond, bij ,
een zeer beperkt vermogen, ook reeds de inondatie benoorden
haar, bij zal moeten springen, - en door de WVaal. Daar de
groote Dalemsche sluis bij zijn stelsel niet meer te bezigen is
(blz. 108), kunnen alleen de genoemde Herwünensehe en
Vurensehe sluizen benuttigd worden. Kainos oordeelt (blz. 108)
laatstgenoemde sluis te onbeduidend, ten gevolge van de afme-
tingen, en laat haar buiten beschouwing; er blijft dus slechts
Y over de Herwijnensehe sluis, ongeveer 3,5 M. wijd. Zelfs eens
aannemende, het door den Sehrij ver (blz. 108) aangegeven rivier-
peil van + 1.72 vóór die sluis (1), zal het toeh duidelijk zijn,
dat lage zomerstanden, door haar die millioenen M3. water
voor de inondatie tusschen Waal en Linge, niet binnen de
gevorderde tijdsruimte geleverd kunnen worden.
Terwijl hij zich dus het gebruik der groote Dalemsche sluis
(3 openingen, ieder wijd ongeveer 5.7 M.), zonder noodzaak,
ontzegt, en men bij lage rivierstanden ten minste tot het dan aan-
` wezig rivierpeil er nut van kon hebben, zouden wij, volgens
(1) Kainos leidt de standen vóór het Fort te Vuren (-j- 1.72 en -j- 1.83) af
V uit de middelbare zomerstanden over de tijdperken 1851-60 en 1861--70 te
Gorinchem, gevende aldaar in het eerstgenoemd tüdperk, voor gem. vloed ­j- 1.73 ,
voor gem. eb + 1.42 en in het tweede tijdperk voor gem. vloed -{­ 1.64 , voor
gem. eb -{­ 1.29. Let men er echter op, dat b. v. in 1870 te Gorinchem, in de
maanden Mei, Juni en Juli, de gem. vloedstanden waren -i· 1.4,7 , -I- 1.45 en
l + 1.30, en de gem. ebstanden + 0.95 , -l- 0.89 en ­­|- 0.71, zoo ziet men,
dat er gedurende 3 maanden, ongeveer 0.4 M. lagere standen zonden zijn geweest
dan 1{ainos beschouwt. Eerst in Augustus van dna jaar was de gem. vloed te
Gorinehern -j- 1.68 en de gem. eb Q- 1.22.
j 5
l
1