HomeDe nieuwe Hollandsche waterlinie in bescherming genomen tegen de jongste, naar aanleiding der Wet van 18 April 1874 (no. 64), puPagina 10

JPEG (Deze pagina), 904.81 KB

TIFF (Deze pagina), 6.97 MB

PDF (Volledig document), 67.97 MB

ë

8
hierbij immers ten eenenmale gemist; waarborgen voor de
van het kader met recht te eischen kennis zijn er niet;
de meer of minder deugdelijke oefening der schutterij hangt `
in de steden alleen af van de zich telkens afwisselende kom-
mandanten, onder meer, door geen voldoende voorschriften g
betreffende de krijgstueht gesteund; terwijl op het platte- r
land, dat wellicht in oorlogstijd de krachtigste aanvullings­
bron voor ons militie­leger zou kammen zijn, alle oefening '
ontbreekt en de toestand volkomen dezelfde is, als die van j
zoovele korpsen gardes mobiles in Frankrijk, bij het uitbreken “·
van den jongsten oorlog. Evenals met die korpsen immers j,
het geval was, bestaat onzelplattelandsche schutterij slechts Q?
op het papier. j.;
Daar buitendien het papier zeer geduldig is, houden wij Q, ‘
ons overtuigd, dat op vele plaatsen de staten der bataljons i
rustende schutterij 11iet met de nu levende personen in over- ,
eenstemming zijn. Voorbeelden daarvan zijn ons ten minste
bekend. I
Voor de Positiën nu, die de aangehaalde Wet niet gesloopt E
heeft, bestaat, blijkens de officieel gemaakte bescheiden, een
indeeling van troepen (marine, leger en schutterij), teneinde
gesteund door de Sterkten in die Stellingen, een eventueelen á
vijand te beletten in dat gedeelte van ons Land binnen te
dringen, wat eigenlijk niet veel meer bevat dan de Provinciën
Noord- en Zuid-Holland en een gedeelte van Utrecht.
De Wet zelve beoogt slechts verbetering en aanvulling van
die Sterkten, welke tot dit doel moeten medewerken. Daar men
nu veilig mag aannemen, dat de bestaande, maar niet geheel V _
publiek gemaakte indeeling onzer levende strijdkrachten, bij
den tegenwoordigen toestand onzer doode weermiddelen geen
abnormaliteit is, omdat anders de bewering dat er eene is L
>>a bruml j07cc" zou wezen; ­ volgt hieruit, dat wellicht wel
te verwachten zijn een paar Wetjes, dienende om iets te *
verbeteren in legersterkte (grooter militie-contingent, of kader-
verbetering b. v.), of iets omtrent de schutterij-aangelegenheid
aan te vullen (de diseipline­quaestie, of Rijks toezicht b. v.); ­­
maar dat in elk geval nooit tegemoet behoeft te worden ge-
zien ee11 regeling, waardoor uit onze mannelijke bevolking in
oorlogstäd dat getal geoefende mannen geput zou kunnen
worden, wat de bevolking van Nederland toelaat.
Waartoe zou het ook dienen, eventueel in oorlogstijd, even- g.
als in 1830-1839 bij een veel minder talrijke bevolking, op J
5
. l
l
l
llè