HomeHet belang van de studie der godsdiensten voor de kennis van het ChristendomPagina 28

JPEG (Deze pagina), 969.96 KB

TIFF (Deze pagina), 9.79 MB

PDF (Volledig document), 32.00 MB

l
26 l
Christendom en andere godsdiensten, alsof men de laatsten alleen A
natanrlgk moest verklaren, mits het eerste als geopenbaard erkend v
blüve. Ten volle beaam ik, wat 0. a. Max Müller in zijn lezingen
tot inleiding in onze wetenschap daartegen heeft ingebracht, en kom
ik op tegen een meening, die er toe strekt om het godsdienstig A
karakter zoowel van andere religiën als van het Christendom te
miskennen. Zoolang het een onomstootelijke waarheid blijft dat het ij
Christendom een godsdienst is, heeft de christelüke theologie te
, doen met verschijnselen en feiten van dezelfde orde als de gods-
t dienstwetenschap. Wanneer wij het Christendom niet slechts voor
den hoogsten en besten onder de bestaande godsdienstvormen houden,
maar voor dien, waarin de kennis Gods voor zoover zü den mensch j
-op aarde mogelijk is ontsloten en daarin het eeuwige leven mede-
gedeeld wordt, zullen wij het toch niet plaatsen tegenover het geloof al
van nievohristeltjke natiën, maar integendeel als de vervulling er
j van aanmerken, de volle uitdrukking van wat elders minder volledig ig
wordt erkend. l
Nalunrlgk en geopenbaard: ik acht die tegenstelling onbruikbaar
om een klove aan te duiden, die tusschen het Christendom en andere
j vormen van geloof zou bestaan. Zulk een tegenstelling kan noch
§ voor de rechtbank der psychologische, noch voor die eener meer W
i ontologische verklaring bestaan. Het springt in ’t oog dat er voor hen, die
uitsluitend de eerste erkennen, geen sprake van kan zgn. ln een zaakrijk,
onlangs herdrukt werkje over den godsdienst in China, verhaalt J. Edkins "'
j van een Chineesoh wijsgeer, die van oordeel was vdat alle godsdienstige j
leerstukken en gewoonten uit ’s menschen geest zelf ontspruiten." Deze H
meening, die onder de denkers in het rgk van het midden algemeen
, gangbaar schijnt te zgn, telt ook onder ons vele aanhangers. Zü, die jl
` haar aankleven en den godsdienst uitsluitend uit de behoeften en ver- l
mogens van den menschelijken geest afleiden, moeten natuurlijk voor à
alle godsdienstige verschijnselen, zoowel buiten als binnen de grenzen C
van het Christendom naar een eenparige beoordeeling trachten. T
Erkent men de éénheid van den rnensohelijken geest, zoo kan men
l
" ,1