HomeHet belang van de studie der godsdiensten voor de kennis van het ChristendomPagina 21

JPEG (Deze pagina), 974.31 KB

TIFF (Deze pagina), 9.80 MB

PDF (Volledig document), 32.00 MB

< ,
rg
’19
._ meene stroomingen aan elkander te toetsen. Hier dreigt wel het
Y gevaar van beschouwingen over het geheel ten beste te geven, die
: door de kennis der bqzonderheden wellicht worden gewraakt; maar
. _ dit moge ons tot omzichtigheid aansporen, het moet ons van de
{ taak zelf niet afschrikken. De grove omtrekken van een drietal zulker
” vergelijkingen mogen müne bedoeling nader toelichten.
E Onder de volksgodsdiensten is er een breede rij, die wij het best
ä als mythologische godsdiensten kenschetsen, omdat de mythische vorm
v der voorstellingen hun meest in ’t oog springende karaktertrek is.
J Verreweg het grootste getal der mythen, schoon niet volstrekt alle,
of zijn ontstaan uit de vereenzelviging van de zichtbare natuur met
` God, waartusschen de mensch, bij wien wereldbewustzijn en gods-
« bewustzijn nog niet gescheiden waren, geen onderscheid maaktei
De geregeld terugkeerende verschijnselen van den dag en van het
jaar liggen aan de meeste mythen ten grondslag; de beschouwing
L van het hemelgewelf, het luchtruim en de aarde, van zon, maan
en sterren, van dageraad, regen, stormen en onweders, gaf het
aanzijn aan natuurgoden als Varuna en lndra, Apollo en Ares,
Thor en Baldur. En niet alleen bij de indogermaansche volken,
l wier eigenaardigheid soms is beschreven als een dienen van God
j- in de azcttuur, greep dit plaats. Ook de Egyptische goden Ra en
Toum, Osiris en Ammon zgn zonnegoden; van het leven der zon
j vertellen bij de Assyriers de bedrijven van dien held, wiens naam
tft Izdhubar eigenlük geen naam is; en geen anderen zin hebben
‘ de sprookjes, die bg de Maoris op Nieuw­Zeeland van Maui in om-
l loop zijn. Naar iets nu, dat ook maar van verre aan dit alles herin-
t nert, schijnt men in het Christendom te vergeefs te zoeken. De
christelijke voorstellingen hebben niet alleen den mythischen denk-
i vorm grootendeels met den dogmatischen verwisseld, maar ook den
j godsdienstigen natuurzin, waaruit de mythologie kon ontspruiten, eer
i_ verwaarloosd dan aangekweekt. Wij hooren nauwelijks meer de stem,
T die uit de schepping tot ons spreekt; en onze godsdienst wekt het
{ gevoel der verwantschap tusschen het leven der natuur en dat van
I
l
l
l
E