HomeHet belang van de studie der godsdiensten voor de kennis van het ChristendomPagina 18

JPEG (Deze pagina), 948.63 KB

TIFF (Deze pagina), 9.77 MB

PDF (Volledig document), 32.00 MB

to
'16
in veel grooter getale op ’t gebied van het tweede te vinden *
zijn. Niet minder dan leer of eeredienst zijn godsdienstige ge- C
woonten, stemmingen en praktgken voor een godsdienstvorm
kenmerkend. Ook daarin is het Christendom niet aan het Oude Testa-
ment of aan de Synagoge gebonden gebleven. Geen Joodsche gevoelens
of gedachten spreken uit die katakomben, die, tegenwoordig allengs
aan het licht gebracht, ons een blik gunnen op het merkwaardigste
stuk uit het leven der eerste Christenen te Rome. Bezielde hen de
Christelgke hoop der opstanding, zg waren er tevens Romeinen voor Q
om aan gemeenschappelijke begraafplaatsen zooveel waardete hechten,
en ze op zulk eene wgze in te richten als zg deden. Gelgk in de 1
talrgke collegia funeraria, die in de eerste eeuw te Reine ontstonden,
met geen ander doel dan om hun leden een eervol graf te ver-
schaffen, maakte ook bij de Christenen de zorg voor hun uitvaart
een gewichtig deel uit der gemeenschappelijke belangen. Ja wg
` kunnen, als wij naar den oorsprong dezer gebruiken zoeken, nog
hooger opklimmen. Dat in het oude Rome over ’t geheel de bemoeiing
met de dooden meer op den voorgrond trad, dan bij de meeste
andere takken van den indo­germaanschen stam, ligt aan de vreemde,
in casu Etrurische, bestanddeelen, in den Romeinschen godsdienst
opgenomen. Nog heden bezoeken reizigers in Toscane graven, die ~
van eeu oude vóór­Romeinsche beschaving de belangrgke overblgfsels
zgn. De Etruriers die ze gebouwd hebben, deden hun geloof aan
geesten over aan hun overwinnaars, zoodat te Rome de denkbeel- "*’
den aangaande de afgestorvenen, de divi manes, zeer sterk animis-
tisch gekleurd zgn. ls ook dit geheel aan het Christendom vreemd
gebleven? Mij dunkt voor de soort van doodenvereering, die al spoe-
dig ontstond, zgn op een bodem als de boven beschrevene de kie-
men niet ver te zoeken.
Doch niet tot vreemde gewesten of tot de eerste eeuwen beboe-
ven wij ons te bepalen, wanneer wg van Christelgke gebrui- é
ken gewagen, wier herkomst op een vóór­christelijken godsdienst
wgst. Nergens vindt men die op ruimer schaal dan bij de volken,
Q