HomeHet belang van de studie der godsdiensten voor de kennis van het ChristendomPagina 17

JPEG (Deze pagina), 957.52 KB

TIFF (Deze pagina), 9.80 MB

PDF (Volledig document), 32.00 MB

ei
15
* kennis bg machte is aan te toonen, welke sporen de strgd tegen
en de zegepraal over de genoemde stelsels in de christelijke
leer zelf heeft nagelaten. Die leer moge dan geen stukken van
heidensehe theologie gaaf hebben overgenomen, zg heeft zich niet
zelden met zulke gedachten gevoed, zoodat uit het lleidendom niet
weinig haar in merg en bloed is overgegaan. Zoo b. v. bij de reeds
genoemde voorstellingen aangaande den toestand na den dood. Niet
i alleen gedurende het Nieuw Testamentische tgdvak werd hetgeen
`° de Christenen daaromtrent predikten tot een mikpunt voor de aan-
` vallen hunner vijanden. Ook later was niet minder dan het Evan-
T gelie des kruises dat der opstanding den Ileidenen een dwaasheid,
en richtte een Celsus daartegen zgn scherpste spotternijen. Dat
die hoon den Christenen ook inwendig geen rust liet, zien wg
uit de opzettelijke pogingen, telkens herhaald, om over den toestand
na den dood en de opstanding des vleesehes tot heldere denkbeelden
, te geraken. De leer van het Godsrijk trad er door op den ach-
tergrond, om voor die der onsterfelijkheid plaats te maken. Hier
heeft dus het Christendom van een vgandig beginsel den invloed
ondergaan; op andere punten ontwaren wij, dat het zich in gelgke .
richting met de heidensche godsdiensten beweegt. De leer van een
° geestenwereld, die een soort van tusschenschakel vormt tusschen
God en mensch, speelt bg de Christenen een niet geringer rol dan
lb bg Plutarchus: het geloof aan engelen en demonen kwam uit een
algemeene strooming voort, waaraan noch het Christendom noch
het lleidendom zich konden onttrekken. ls het reeds de vraag,
in hoever de joodsehe voorstellingen dienaangaande aan andere gods-
diensten, met name aan het Mazdeïsme, ontleend zgn, in het Christen-
dom der eerste eeuwen dragen engelen en demonen een karakter, dat
zg zeker voor een goed deel uit den vreemde hebben medegebracht.
Dit laatste voorbeeld ligt reeds minder op het gebied der syste-
4 matisrhe leer dan op dat van het volksgeloof. Zeer zou men
zich vergissen door alleen voor de eerste te zoeken naar vreemde
invloeden op de vorming van ’t Christendom, die integendeel
4