HomeAnna Roemers VisscherPagina 31

JPEG (Deze pagina), 847.89 KB

TIFF (Deze pagina), 7.24 MB

PDF (Volledig document), 26.00 MB

l
31
zinspeelt op zän beroep van koopman, gelijk een en ander overtuigend
blükt uit den Wensch aen de selve Aemstel:
g Vaart oock wel, ghy schoone VELDEN,
Die mün name spelden ,
in verband met ’t slot van den Hymmts I), en uit de negende strophe
_ van het >>Aff-scheydt":
Doen ick soo meenigh maal ging met u Nymp/zjevzs spelen,
Of hoorden in het riet de Maaght Syringa quelen:
D ' Doen noch myn swacke breyn begreep, wat Maya. kint
In ’t handelen versint: 2)
-­­ die twee omstandigheden zijn stellig niet geschikt om den twijfel weg
te nemen. Wie overigens de Anna is, die het >>water­jeughdigh­liedt"
` aanheft, het »waterdeuntjen queelt" 3): of het inderdaad, gelijk de Hr.
Van Vloten vermoedt, onze Anna Visscher dan wel eene dochter is van
den dichter Velden, den »liefhebber der Poësye", die Bre‘ederoo’s Het
dag/zet uyt den Oosten heeft afgemaakt 4), en misschien Calasires Sterfdagh 5)
(treurspel, 1631 opgevoerd op d’Oude Gamer) geschreven: ik weet het
F niet. Jammer genoeg, dat bij ’t weinige, waarvan we beslist weten,
dat ’t van Anna Roemers’ hand is, De Roemster niet mag worden
gevoegd .... jammer, althans uit ’t oogpunt van hoeveelheid, want,
“ men zal ’t den Hr. Scheltema moeten toegeven, dat, al >>vindt men er
vele puikstalen in van een zacht schilderend penseel", het stuk zelf
>>door te veel zwier, en door te groot gewoel van Goden, Godinnen,
Bosch-, Water- en Veldnimfen van allerlei aard, den lezer somtijds
L, vermoeit" en verveelt.
Tot mün leedwezen kan ik geen volledig uitsluitsel geven over de .
. volgende plaats in de redevoering van dien heer 6): >>na 1624 woonde
j Anna te Dordrecht; en hoe zeer de zorg voor huishouding en kinderen
haren lust voor wetenschap en kunst beperkte, en waarschijnlijk
haar voornemen, om voor Prins Willem I, den Vader des Vader-
Y lands, eene waardige gedenkzuil te stichten, verijdelde, liet zij echter
hare bekwaamheden geenszins geheel slapen". Dat Anna te Dort nooit
l heeft gewoond, is vrij zeker, maar de plaats van Vondel (Poësy, I,
j bl. 718), waarop Scheltema zich beroept voor zijne bewering aangaande
jl 1) Ged. enz., bl. 81 en 76. 2) T. a. pl., b1. 78.
3) T. a. pl., bl. 68 (regel 4 v. 0.) en bl. 82: Tot Momum, vs. 19 vlgg.
A 4) Ten Brink, Brederoo, bl. 238.
E 5) Biogmph. Wdbk. der M en Z.N Letterk., door Dr. Huberts c. s. in vocc
j Velden (Matthüs v. d.), IIl3.8l` vooral Dietsche War. VII, bl. 274.
5) Bl. 29 en de noot.
T