HomeAnna Roemers VisscherPagina 30

JPEG (Deze pagina), 883.49 KB

TIFF (Deze pagina), 7.24 MB

PDF (Volledig document), 26.00 MB

30
De wereld overblaast, en wilt u doch niet steuren,
Dat ik u groeten derf en zenden deze leuren:
Doch terg ik uw geduld met deze lompe stof,
Neem ’t my niet moejelük maar moederlijken of.
Evenmin als de speling in den laatsten regel het toppunt van gees-
tigheid bereikt, vliegen de aangehaalde gedichten hoog: >>aa1dige rijmen",
Ten Brink heeft wel gelijk. Ook behoort niet te worden voorbügezien, -
` dat in het tweede vierendeel der zeventiende eeuw de verdienste van
den goeden vorm alleen van lieverlede minder gaat beteekenen naarmate
. E er meer schoons, zoo in dicht als ondicht, wordt voortgebracht. En
indien waar is wat Scheltema zegt 1), namelük dat de liedjes in het,
Hollandsch en Zeeuwsch Nachtegaeltje (1633), gesteld dat ze van Anna’s
hand zijn, »niet onaardig en geheel in den stül van haar" zün ge-
schreven, zullen zij het uitgesproken oordeel over haar dichttalent allicht
eerder bevestigen dan wijzigen. Ik ben nieuwsgierig, of ’t door den ~
Hr. Beets (bl. 19 noot *)) bedoelde stukje herziening noodig maken zal,
ik vermoed van niet. 2)
j Van lhipido Brille­man en Cupido Honich­dief 3) zou ik met den Hr.
Scheltema ongaarne het moederschap aan Anna toekennen; ik maak
de woorden van den Hr. Beets tot de mijne. 4) _
Van beide heeren meen ik in gevoelen te mogen verschillen betrek- ,,3
’ kelijk De Roemster van den Amstel, ook door den uitgever der Gedichten
van Anna en Maria T. Visscher aan Anna toegeschreven. 5) Geeft toch,
na de lezing van Anna’s gedichten, eene herlezing van De Roemster
al aanstonds grond tot twijfel even goed als die van de twee boven-
genoemde Cupido’s, de omstandigheden, 10. dat de dichter blijkbaar van
i het mannelijk geslacht is: j
Maar even als de Maan het sterrelicht verdooft,
Wanneer sy ons verschünt met haar schoon­blinckent hooft; á
· So toont haar d’Aemstel oock wiens schoonheyt onverschoonen
Haar selfs (en geen ghelijck) als Phoebus komt vertoonen: ij
Ick deed’ haar Goden eer, en sy my met bescheyt iii
Heel vriendelijck ontmoet, heel minnelijck my seyt:
Weest well’-kom, lieve Soon 0); j
en 20. zelf zijn naam niet onduidelük te kennen geeft, ja ook kennelijk
i 1) T. a. pl., bl. 102.
2) En, indien het aanvangt met den regel: ««Amaril had jck hajr wt uw tuyt_jen"’ i
is het wellicht niet van Anna: Leendertz, I, bl. 184, noot. j
3) Z Nachtegaal, bl. 16 , en volgg. 4) Bl. 14, noot j).
5) Scheltema, bl. 13, 102 no. 11 ; Beets, bl. 11; Ged. enz. bl. 51 vlgg.
_ 6) Ged. enz. bl. 66, verg. bl. 62 (regel 2 v. b.), en bl. 79 (regel 7 v. b.).
T
ng?
rx