HomeAnna Roemers VisscherPagina 27

JPEG (Deze pagina), 765.26 KB

TIFF (Deze pagina), 7.19 MB

PDF (Volledig document), 26.00 MB

27 _
· »Jonckvrou, ghy hebt (tis waer) wat meer als ic gewogen,
y Maer ist reyn spel geweest, of hebdy my bedrogen ‘?
‘ Want hoe! sal dan een Maecht, die corter is dan ick,
· Die smal van middel is, van leden niet te dick,
Van handen wonder teer, van aensicht heel besneden,
Die nau het gras en croockt daer op sy comt getreden,
Die met haer net ghewaet verciert is, niet belaen,
De schael, daer in een man gheset is, op doen gaen?
Of sout de maechdom zijn, die u soo swaer doet wegen ‘?
Men seght gemeenlick soo: maer neen, ick seggertegen.
De maechdom is een ding dat niemant hoort of siet,
Een waen, een vvensch, een wint, een dierbaer wat of niet.
De maechdom die is licht: en maechden die gevrijt zün,
Die worden veeltijts svvaer, als sy de maegdom quyt zün."
Ware het niet bekend, dat de dames, ook de jonge meisjes 1) der
zeventiende eeuw meer konden velen dan die der negentiende, we
zouden de handen in elkaar slaan; nu niemand zich meer kan ver-
bazen over dergelüke naaktheden, hebbe Anna onmiddellijk het weder-
woord: >>De min", zegt zij,
· »De min, die vleesch en bloet verteert,
Die heb ick lang van my gevveert:
Een anders luck my niet en wroecht,
Want my het myne wel genoecht,
` Nae hooge staet ick niet en tracht
Noch ben door laecheyt niet veracht.
{ Ick slaep gerust de nachten lanck.
Ick nut met smaeck mün spijs en dranck:
‘ Verwondert u dan daer niet van
I Dat ick wat meer vveegh als een Man,
lj Die staech met sorghen is belaen,
Alleen niet 2) hoe ’t sijn huys mach gaen,
Q Maer die de lasten van ’t gemeen
Noch boven dien torst op de leen." 3)
· Wel aardig ook, >>gracieus" noemt de Hr. Beets het, moet ’t gedicht
f 1) Insgelijks de weduwen, waarvan de Hr. Van Vloten, Tesselschade, bl. 25
noot, een vermakelijk staaltje geeft: het is te begrijpen, dat Tesselschade wat op-
· schoof, toen professor Van Baerle begon ~de perdicibus, quae superno solum volatu,
ü sine contactu, c0ncipiunt,"' al haalde hij er Plinius en Aristoteles bü aan.
t Ook komen in de Welcoom­gedichten aan Anna Roemers, bij gelegenheid der
Zeeuwsche reis, niet altijd even fijne uitdrukkingen voor: zie b. v. bl. 7 der
Nachtegael, over de ~d0ucken"’ en de ~broucken."
2) D. i. niet alleen. 3) Z. Nachtegaal, bl. ll.
A