HomeAnna Roemers VisscherPagina 24

JPEG (Deze pagina), 939.41 KB

TIFF (Deze pagina), 7.15 MB

PDF (Volledig document), 26.00 MB

Y
24
versje luidt geheel anders dan de aanhef van den brief, waarmede
Huygens aan Hooft zün Daghwerck toezond 1): >>Nu volght de don-
derslagh, daervan ick U.E. onlangs blixemsgevvijs gewaerschouwt hebbe;
U.E. en houde sich evenwel aen geene beloften verbonden, als oft hy H
niet ontgaen en mochte dus veel vuyl papiers te doorlesen. Het gelooven
alleen van andere, dat U.E.'§feen ure daeraen te kost geleght hebbe,
sal my te stade komen, om het elders niet te sien verwerpen; met
sulcken aensien versoeck ick, dat het in handen van den Hr. Barlaeus _,
. moghe komen."
Uit de gedichten van Anna treedt ons eene, bü al hare flinkheid en ferme-
teit, lieftallige persoonlijkheid tegemoet, aantrekkelük door hare zedigheid
E en natuurlijkheid: doch - blüken vanadichttalent leveren zij schaars. j
Zij het dan dat de thema’s, de onderwerpen harer stukken het haar j
onmogelijk maakten de wieken uit te slaan; of dat hare huiselüke j
omstandigheden, het overlijden van hare moeder, de oppas van haren j
vader, het bestier der huishouding, in één woord, >>de huyssorch, die ;
swaerer weecht als loot" haer belette der verbeelding den vrüen teugel
te vieren; of dat het haar te eenen male aan dichterlijke phantasie,
aan den dichterlüken blik, mangelde, iets, dat hare verzen van nà I
1622 wel aannemelijk maken; of eindelük dat veel van haar poëtischen r
arbeid voor het nageslacht is verloren gegaan 2) of nog ergens verholen a
ligt: zooveel is zeker, dat hare gedichten den roep, die in het eerste Q.
vierendeel der zeventiende eeuw van haar is uitgegaan, geenszins recht- I
vaardigen. En toch waren hare lofredenaars in de verste verte evenmin
waanzinnig als dronken - ik bedoel >>niet van Frans of schrale Rynsche
wün maer - van Pegasu.s fonteyn" 3), toen zü hunne lofdichten te harer
eere nederschreven; een enkele, zooals de Zeeuw Rogiers, moge haar
alleen hebben gekend van »hooren seggen" en >>door hooren seggen
wert een mensche licht bedroghen", zeide Anna zelve 4); een ander
>>het gebruyck van aerdige Poéten" hebben gevolgd en alzoo niet op
zün woord te gelooven zijn, als hebbende niet >>meer met oprechte t
meyninge als na gevvoonte" geschreven 5); een derde zich door ’t zeldzame
van ’t geval, dat iemand van hare kunne »in ve1·stand de mans tartte", _,
te ver hebben laten vervoeren; dezen of genen moge de vriendschap
voor den vader of de genegenheid voor de dochter of de herinnering
aan de genoeglüke avondjes in den Roemer­kring parten hebben ge-
speeld: ’t neemt niet weg, dat Anna was een veelzijdig talent. Neen,
het waren niet alleen hare rümpjes en versjes, die haar aller bewon-
dering deden wegdragen, die professor Van Baerle recht en reden
-- à
1) Van Vloten, Hoojts brieven, III, bl. 276, no. 702.
2) Zie Scheltema, Anna, enz., bl. 102, no. 10. `
3) Ged. enz., bl. 98: ~Aen D. Heins? -
4) Z. Nachtegaal, bl. 10, 12. 5) Aldaar bl. 115.
O
`"M tsss ~ i'