HomeAnna Roemers VisscherPagina 22

JPEG (Deze pagina), 890.96 KB

TIFF (Deze pagina), 7.27 MB

PDF (Volledig document), 26.00 MB

ii
22
op sün Luyt 1); 60. Aen de vermaarde eonstryche Petrus Paulus Rubbens, j
doe ic nae syn were/t schilderde 2); 70. ’t vijfregelig stukje Aen Mün Heer
H. Gout my oer­eert hebbende met oerseheyden aerdige nachtjes 0) door
g syn constryolce haut gesneeden “); 80. ’t Gebet op de Gebo0rt­dach O. H. ä
Jesus Christus 5); 90. ’t Epithalamtum ofte Bruydloftsgedtcht ter eeren "
van den Hr. Prof Dan. Heinslus ende Juffr. E. Rutgers 0); 100. ’t Aen l'
den Hoog/zgel. D. Jacob Cats, op het Boeck van sijn Konst-rgehe Sinne­ I
beelden. (Van de­welcke stjn gunst een oereert heeft) 7); 110. Een
Sonnet Aen P. (J. Hooft en C. Huygens 8); 120. Aen J. Zeveootius 0); ,0
130. Aen Heins I0), benevens de berümde Sinnepoppen in Boemer’s
werk van dien naam en den Minnepop 1*), geenszins echter De Roemster '
van den Amstel, die ook op haren naam gaat of liever ging_
Het laatstgenoemde dichtstuk en de bedoelde Poppen derhalve daa1·ge­ `
laten: hoedanigen indruk maken de overige ‘? Bij de lezing ervan krügen
wij Anna lief als de kunstminnende en smaakvolle, degelijke en be-
langstellende jonkvrouw; de deelnemende en medelijdende vriendin; de
zich verloochenende en opolferende dochter; wij gevoelen achting voor
haar karakter, haar vromen zin, hare wijsheid en -- bijaldien het
moeilijk is nederig te blijven onder uitbundigen lof en niet bedwelmd
te worden door wierookgeur ­ hare nederigheid. En deze laatste is
volstrekt niet gemaakt, niet gekunsteld: dat zij zich tegenover een man
als De Groot maar >>een slechte maecht", een eenvoudig meisje noemde
en klein, zeer klein gevoelde tegenover Ptubbens, is zoo natuurlük, dat
’t tegengestelde gewis bevreemden zoude, maar kenmerkend zijn te dien
opzichte haar antwoord aan Daniel Heinsius op zijn Aen de eerbare, énde
honstrtjehe Jonohvrou Anna R. V. 12) en dat aan Zevecote, die zich in
het geschil tusschen zijn neef Heinsius en Anna had gemengd, en was
geëindigd met hem Phoebus, haar Minerva te noemen:
Heins sal my Phaebus sijn, en ghy Hollantsche maegt
Verdient dat ghy alleen Minervae name draegt, ‘
K iets waarover zij Zevecote de les volgenderwijs heeft gelezen:
1) Beets, t. a. pl., bl. 13. 2) T. a. pl., bl. 24.
3) »Nachten, T0orts­ of Fackellichten” (schilderijtjes, in plaat gebracht).
4) Aldaar bl. 24. 5) Aldaar bl. 28.
6) Medegedeeld door Mr. J. Scheltema, Mengelw. II,110. 2, bl. 249 vlgg.; Gedichten
enz., bl. 83. (Over mej. Rutgers, zie D. War. VI, bl. 17.)
7) T. a. pl., bl. 94. l
8) Ged. enz., bl. 110 (verg. bl. 97, alwaar stellig bü vergissing reeds een stuk
ervan); Leendertz, Hooffs Ged. I, bl. 385.
9) Ged., uitgave Blommaert, bl. 11 ; Ged. enz., bl. 99.
10) D. Heinsii, Nederduytsche Poemata, bl. 37.
11) R. Visscher, Minnep., no. 5. 12) N. Poemata, bl. 33.