HomeAnna Roemers VisscherPagina 18

JPEG (Deze pagina), 794.31 KB

TIFF (Deze pagina), 7.31 MB

PDF (Volledig document), 26.00 MB

‘ ‘··°=’~=’ ¤==;:‘::.m::::ï;»­=­..-:`:;:1;,;=;;:·;w;­:..;.;Y.-·~:,.-.r- ,-;_ ., .... .a_·`<;_.,e,z _
18
haar bij Pallas, Scriverius bü Sappho vergeleek; den Muzen legt hij
deze woorden in den mond:
>>VVanneer ghy met uw dicht verdient de lauwerbladers,
En ciert de Poppen en uytbeeldingen uws Vaders, .
Die u in wysheyds school van jonghs heeft opgequeeckt,
Wie van uw Spreuken, en uw Rijmen komt ’t erkouwen
_ Zal roepen: dit’s geen maeghd, noch van ’t geslacht der vrouwen, _ '
’t Is Maro die hier singht, ’t is Cato die hier spreeckt. g
Wast op, geluckigh kint! wast op in goede zeden, ë
Die van ’t verwondren noch zult worden aengebeden, j
. Vermids uw oordeel, en uytsteeckende verstand. lf
Wast op, geluckigh kint! cieraet van uwe tijden! :
Den Hemel u beschut voor al die u benijden, E
Wast tot een wonder van het prachtigh Nederland."
Dus luidde de voorspelling, en Vondel kon bekennen dat zij in ver-
vulling was gegaan:
>>Ten lange lesten moet de nijd nu zelf belyen
Dat in haer zijn vervult der Goden prophecyen,
Dat ’s Hemels schatten zijn te recht aen haer besteed." 1) {
Vriend en vijand waren in dezen blijkbaar eenstemmig.
Dat de roep, die van haar uitging, niet alleen groot was, maar
de mare »van haer begaefden geest, van Fama voortghedraghen" zich
had >>verspreyt aan elcken cant ," zoodat »van haer geleert verstant de _
gantsche weereld ghewoech," 2) dat bewijst de geestdrift, waarmede de lg
Zeeuwsche dichters en dichteressen haar plan, om eens over te komen l
naar Middelburg (1622), hebben begroet. De bloemlezing van 1623, F
de Zeensche Nachtegaal ende des selfs driederley ghesang, gewaagt daarvan:
er is als maar één stem over die heuglijke gebeurtenis van beide dames ”
en heeren, de een is al opgewondener dan de ander: Y
Sy is ghecomen over Zee, ‘
En met haer zyn ghecomen me
De Gracien en Sang­goddinnen, Q
Cupido roeyde met sijn boogh, ' H
Een koppel Swanen ’t Scheepken toogh,
En de Zee­nymphen stuerdent binnen.
Sy stuerdent aen den Zeeuschen kant, J•
Terstont verheuchde tgantsche Landt;
1) Uitgave Van Lennep, II, 209.
2) Z. Nachtegaal, (1633) bl. 5, 6, 9.
r