HomeAlgemeen stemrechtPagina 8

JPEG (Deze pagina), 813.11 KB

TIFF (Deze pagina), 6.32 MB

PDF (Volledig document), 25.64 MB

i
f
._ 6 .. ’
deel hun, wier arbeid slechts in naam is en F
zoo in afdalende reeks -­ krimpt de belooning
in en wel in verhouding dat de arbeid harder en
onaangenamer wordt, totdat eindelijk de vermoei-
endste en meest aangrijpende lichamelijke arbeid
nauwelijks kan rekenen met zekerheid op het
verkrijgen van het allernoodzakelijkst levenson- à
derhoud". I
Een meer open en onomwonden verklaring omtrent den
onbillijken toestand der verhoudingen kan niet verlangd
worden. Zij bevestigt de waarheid van een gezegde,
dat in den mond des volks voortleeft: ,,de paarden, die
den haver verdienen, krijgen hem niet". Welnu, waar
dit een zaak is van algemeene bekendheid, men zou M
geneigd zijn te zeggen een oudbakken waarheid, die
echter nog steeds herhaald moet worden tengevolge van
onkunde en vergeetachtigheid, daar moet in beginsel
even noodzakelijk het recht worden erkend, om naar
beterschap te streven.
Dat recht nu wordt eigentlijk niet erkend. ,
ja, wel in theorie, op papier, maar in de toepassing "
niet. En wat beteekent een beginsel, als de uitwerking, .,
de toepassing niet wordt toegestaan? Ook in dit opzicht »
beleven wij een gevaarlijken tijd, namelijk het tijdvak l
van den schijn.
Iedereen zegt te zijn voor vooruitgang, maar de meer-
derheid keurt het ai] als men een enkele, een halve, een
kwart schrede zich beweegt in de richting van vooruit- ,
gang. Men kan toch niet vooruitgaan zonder zich te {
bewegen! Wat verkrijgt men daardoor? Vooruitgang F
op de lippen, vooruitgang in schijn -- maar daarmede 3
is men niet gebaat. De heerschappij van den schijn is j
de gevaarlijkste, omdat het is als of de vrijheid is erkend ‘i°
en aangenomen en daardoor in slaap gewiegd, strijdt {
men niet meer om te verkrijgen wat men wenscht.
Liever Hinke tegenstanders, die eerlijk den beginsel- '
strijd aanvaarden dan schijnvrienden, die het in beginsel {
eens heeten te zijn en daarna zoovele,,maren" opwerpen, _
dat het beginsel daartusschen wordt doodgeknepen.
Al die bezwaren en excepties, als daar zijn: ,,de tijd is ,
nog niet rijp voor zoo iets", ,,het volk kan het nog niet j
dragen", ,,men moet geleidelijk voorwaarts gaan zonder à
schokken en stooten" ­- het zijn niets anders dan de
uitvluchten der lafheid; men durft niet zeggen dat men
T
M r.