HomeAlgemeen stemrechtPagina 11

JPEG (Deze pagina), 837.42 KB

TIFF (Deze pagina), 6.28 MB

PDF (Volledig document), 25.64 MB

r _ ,_,_Y_ ,,, ,,,..,.,-..,«...ï¤;. ·S¤ç?ï$‘f,,.."1""'“`,I...I..,....,,,""""",'!‘,,§iïZ:: Z ­;:’à·`II.`i;I«`­l­"`l`­·‘ê`,.:`.»
ii ` 9 `
sche volk, of de Staten­Generaal zijn niet de vertegen-
woordiging van het geheele Nederlandsche volk. De
logika van het gezond verstand staat zeer zeker niet
aan de zijde van den minister.
Eniwat de grondwet aangaat, het papier is geduldig.
Toen Lodewijk XIV sprak: ,,de staat ben ik" toen had
hij heel goed een grondwet kunnen afdwingen, waarvan
het eerste artikel luidde: ,,ik Lodewijk XIV, vertegen-
woordig het geheele Fransche volk." Zou dit nu waar-
heid geweest zijn?
Evenzoo in onze grondwet. Wanneer eenige gegoe- _
den zichzelven noemen het Nederlandsche volk, en de
, vertegenwoordigers, die zij afvaardigen, in een wet be-
.I,, titelen met den naam vertegenwoordigers van het
geheele Nederlandsche volk, dan is dit nog niet waar,
al _staat het in de grondwet. Geen wet is in staat de
grondwaarheid omver te werpen: het geheel is samen-
gesteld uit zijn deelen en elk deel is kleiner dan ’t geheel
en daarom het geheele Nederlandsche volk wordt
niet vertegenwoordigd door de Tweede Kamer, wier
leden maar door een deel van dat volk zijn gekozen.
Wat wij dus bezitten, is een schijn volksvertegenwoor-
, diging en hiervan geldt: beter geen vertegenwoordiging
l dan een in schijn. De leugen dat de Staten­Generaal
zouden vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche
J volk moet dus gebannen worden uit de grondwet, op
, dat niet de grondslag van onzen staat ruste op een LEUGEN.
9 Vergeef mij, mijne lezers! indien ik uw gezond ver-
I stand op een harde proef heb gesteld door uit te weiden
over zaken, die voor een onbedorven menschenverstand
I eenvoudig zijn en helder als glas, maar waar een dwaling
wordt omkleed met het gezag van mannen, die geroemd
‘ worden als geleerd en scherpzinnig, met het gezag van
een eersten minister, daar mocht ik dezen lijdensbeker
Z u niet onthouden, voor dat gij hem hadt uitgedronken.
j Zulke zaken doen we dus het best door ze te betitelen met
{ dezen naam: ,,tot wet verheven onrecht". Wat
Kingsley eens even oprecht als waar getuigde, is ook
geheel onze meening: ,,wetten zijn geen wet, als de min-
derheid ze maakt, om de meerderheid te onderdrukken?
·, Vroeger werd men onderdrukt door den adel en de
i geestelijkheid, nu door het geld. Kunnen wij dan spre-
& ken van grooten vooruitgang? De vorm der onder-
drukking is gewijzigd, gemoderniseerd, maar het wezen