HomeDe scheikunde als leer der stofwisselingPagina 26

JPEG (Deze pagina), 849.19 KB

TIFF (Deze pagina), 7.27 MB

PDF (Volledig document), 25.18 MB

¤
l
l 24
eene dynamische stofwisseling plaats waarbij eene ons niet nader
bekende verbinding of ferment gevormd wordt, dat eene aan-
trekking uitoefent op de suiker- en watermoleculen. Nu ontstaat
eene dynamische stofwisseling in de suikeroplossing. ‘
Er heeft door de scheikundige aantrekking van het ferment
· wisseling van atomen plaats; de verbinding van het ferment
met eenige atomen uit het suiker- en het watermolecuul wordt .
eehter telkens ontleed, zoodat het ferment weder in den ouden
toestand terugkeert en de werking opnieuw gaat beginnen op 4 i
andere suikermoleculen; maar de overblijvende atoomgroepen
onttrekken zich aan die stofwisseling en komen als alkohol en
‘ koolzuur in een anderen bewegingstoestand te voorschijn. Warmte-
ontwikkeling wordt waargenomen. Wij zouden die beschouwing
kunnen toepassen op nog een menigte andere voorbeelden: den
toestand van zoutmengsels in oplossing, - de vroeger zoo genoemde
f katalytische werkingen, - de zamenstelling van gasmengsels , -- ;
de toestanden van meerdere of mindere dissociatie van gasvormige
verbindingen bij verschillende temperaturen. Genoeg zij het op
te merken, dat waarschijnlijk bij alle veranderingen in de aard-
korst, bij alle verschijnselen van het planten- en dierenleven ii
dergelijke overgangen van statische in dynamische stofwisseling ,
plaats hebben, waarbij door het in betrekkelijke rust komen
van de eene groep, de andere juist een arbeidsvermogen in zulk
. een vorm verkrijgt als voor de levensfunctien onmisbaar is. {
Nogtans, wij kennen de wetten niet, die dien overgang bepa­ AQ
, len. lmmers zooals gezegd is, de wetten van de aantrekking
der atomen moeten gezocht worden. Die te vinden is de kroon
A van het gebouw onzer tegenwoordige wetenschap; zij zijn de
grenzen, die wij op verren afstand meenen te zien.
Onze voorstellingen over de natuur der dingen sluiten zich
alzoo aan de groote Grieksche wijsgeeren aan, maar zij zijn L
veel rijker geworden aan inhoud. Even als Democritus en Epi- ‘