HomeDe scheikunde als leer der stofwisselingPagina 20

JPEG (Deze pagina), 828.37 KB

TIFF (Deze pagina), 7.34 MB

PDF (Volledig document), 25.18 MB

S
l
18
'· ling op te sporen; maar dat onze kennis in die richting is
verrijkt, moge de volgende schets U aantoonen. ·
Van een onvermijdelijk rustpunt onzer voorstellingen moeten ·~gï
wij uitgaan. Er zijn kleinste deeltjes, atomen, die wij niet
kunnen waarnemen met het oog, corpora caeca. Deze hebben
een zekeren omvang, eene bepaalde zwaarte, dat is een algemeen j
aantrekkingsvermogen volgens de bekende wet, eene bepaalde
dichtheid; zij zijn van verschillende soort. De soorten of ele-
menten verschillen in massa, dus in gewicht; hunne overige
verschillen kan men nog niet onder regels brengen, ofschoon ‘A
men reeds met Mendelejeff en Lothar Meyer allerlei verhoudingen
j tusschen atoomgewicht en tusschen physische en chemische
eigenschappen begint te vermoeden, die regelmatigheid of wel j
periodiciteit vertoonen.
De atomen verkeeren in eeuwigdurende beweging, eene rotee­ E
rende, eene oscilleerende, eene voortgaande beweging, maar ug
die zeer verschillend is in snelheid. >
A Van deze atomen gaan alle scheikundige werkingen uit; zij ··
V zijn de dragers van de scheikundige aantrekkingen, evenals van W
de algemeene, de capillaire en andere mogelijke aantrekkingen; g
zij voeren alle bewegingen uit, die als zoodanig moeten beschouwd
worden als de oorzaken van alle verschijnselen van stofwisseling. è
Zij werken op meetbare afstanden. Die afstanden behooren tot ~
dezelfde orde als de afmetingen van de golflengten der licht-
stralen.
Deze atomen kunnen elkander scheikundig aantrekken. Als
zij op zulke kleine afstanden van elkander gekomen zijn, onder-
gaan zij eene versnelling en vormen eensklaps een samengesteld
atoom. Dat samengestelde atoom noemen wij een molecuul. A
­ Daarbij verandert de aard der beweging; de versnelling houdt
. op en vermeerdert de bewegingen des molecuuls; de voortgaande
, en slingerende kunnen ten koste der andere bewegingen toenemen of
‘ omgekeerd, ofschoon het geheele arbeidsvermogen even groot blijft.
Daardoor nemen wij eene verandering in temperatuur bij de