HomeDe scheikunde als leer der stofwisselingPagina 10

JPEG (Deze pagina), 762.17 KB

TIFF (Deze pagina), 7.44 MB

PDF (Volledig document), 25.18 MB

`
in die hypothesen de behoefte van den menschelijken geest ver-
scholen om achter al die wisselingen iets blijvends en iets zelf-
standigs te zoeken, dat als hare oorzaak mag beschouwd worden. I.
l Democritus, Epicurus hebben het gewaagd uit himne waar- l
j nemingen hypothesen af te leiden, waardoor zij in plaats van
willekeur en toeval eene noodwendigheid der elkander opvolgende
l natuurversehijnselen konden aannemen. Die waarnemingen betroiïen
l de regelmatigheid, de wet van opvolging, die overal in de natuur
i aan den dag komt. Zij redeneerden daarom aldus: Aan alle Z
dingen liggen oorspronkelijke stoffen ten grondslag, atomen, die
j voor geene verdere verdeeling vatbaar zijn. Corpora sunt, pri-
l mordia rerum. Wat er ook moge vergaan of nieuw verschijnen,
j zij blijven bestaan. Zij zijn in eeuwigdurende beweging in alle
l richtingen door de oneindige ruimte des heelals, zooals Lucretius
het uitdrukt:
nulla quies est ‘ r
reddita corporibus primis per inane profundum. I '
Uit niets ontstaat niets, en niets vergaat. Als er eene nieuwe
stof verschijnt, dan houdt eene andere op te bestaan.
F Haud igitur penitus pereunt, quaecunque videntur
á Quando alid ex alio reücit natura, nec ullam
" Rem gigni patitur, nisi morte adjuta aliena.
l i Bij alle veranderingen moet er iets blijvends zijn in de stof, t
en dit zijn die uiterst eenvoudige zich in alle richtingen bewe-
l gende primordia,
immutabile enim quiddam superare necesse est.
Die atomen zijn onvergankelijk .
sint haec aeterna necesse est.
hetgeen verklaart dat er niets uit niets wordt voortgebracht en
dat niets tot het niet terugkeert.
At quoniam supra docui, nil posse creari
De nilo, neque quod geniturn est ad nil revocari,
Esse immortali primorclia corpore debent. I