HomeOver: Onze kustverdedigingPagina 25

JPEG (Deze pagina), 1.01 MB

TIFF (Deze pagina), 7.80 MB

PDF (Volledig document), 41.57 MB

‘ ee
Het tweede gedeelte der studie van den Heer DEN BEER POORTUGAEL han- j
delt over de verdediging der kust.
BQ het beramen der middelen tot het verijdelen eener landing op de kust, j
doet zich als vanzelf in de eerste plaats de vraag voor, welke rol daarbü de j
v, marine zal hebben te vervullen.
In algemeenen zin is het niet moeilük die vraag te beantwoorden. Gelük {
een leger te land moet worden bestreden door een leger, is het duidelük dat j
het meest afdoend middel om een landingsvloot te beletten haar doel te be- l
reiken, hierin bestaat die vloot op zee te gemoet te gaan en te verslaan. Maar j
die zuiver theoretische beschouwing stuit in de practük op zeer groote be-
zwaren. Zij moge voor enkele zeemogendheden van den eersten rang een l
toepassing kunnen vinden, voor de kleinere zeevarende staten is het ten eenen- l
male ondoenlijk - er is reeds vroeger in deze beschouwingen op gewezen - 1
een zeemacht in het leven te roepen en te onderhouden, bü machte om de *
vloten der mogendheden, met welke zij in oorlog kunnen geraken, van de kust ~
verwüderd te houden. Voor Nederland in het büzonder is het een onbereik­ ,l
baar ideaal om, boven en behalve de schepen, die vereischt worden om onze 1
zeegaten en riviermonden te verdedigen en ons gezag in Indië te handhaven, l`
nog een vloot te bezitten tot het verijdelen van pogingen om op de kust te
landen. j
Een zeer bekwaam stafoflicier, de Kapitein DE BAs, heeft onlangs in de J
bijeenkomsten van de Vereeniging tot beoefening der Krijgswetenschap de J
stelling verdedigd dat Nederland, af`gescheiden van het drijvend materieel tot ;
verdediging der zeegaten benoodigd, voor den dienst bnitengnats en ten einde
j Zcmdingen te kunnen oertïdelen, een actieve, of liever een offensieve marine
behoeft, die zou behooren te bestaan uit 4 ramschepen (type Koning der 4
Nederlanden), 8 rammen (type Bujel), benevens 10 schroefstoomschepen als 1
éclaireurs. Wordt daarmede nu het voorgestelde doel -­ het verijdelen der ,
landing - bereikt? In geenen deele. Immers blükt uit het doorwrochte en l .
werkelük zeer verdienstelüke betoog, dat de Heer DE BAS toen heeft gele-
verd (1), ten duidelijkste, dat ook de spreker geenszins overtuigd was dat, in
weerwil zijner offensieve marine, waarbü 12 pantserschepen, de vüandelüke
transportvloot ten laatste toch niet voor de kust zou komen (2). Nu is het
, wel waar, dat die transportvloot dan vermoedelijk later en in minder goede
-­­-­~ S
der werf van Hellevoetsluis naar Rotterdam niet noodig zou zijn, daar ook Amsterdam alsdan in
de behoeften voor de zuidelijke waterwegen zou kunnen voorzien, en aldus vermoedelijk met één i
werf van aanbouw, uitrusting, enz. zou kunnen worden volstaan. De verbetering van den water- ij
weg tusschen Amsterdam en Rotterdam is dus niet alleen voor handel en scheepvaart, maar zeer
zeker ook voor de defensie van overwegend belang; en nu moge de insgelijks voorgenomen verbe­
tering van den waterweg tusschen Amsterdam en den Rijn aanspraak kunnen maken op den voor-
rang, het zou ongetwijfeld zeer te betreuren zijn, bijaldien een al te lang uitstel van eerstgenoemde
V6l`lJ€l,Bl`ll'lg daarvan het gevolg YVGYG.
(1) Verslagen der Vereeniging tot beoefening der Krijgswetensohap, 1874-75, bladz. 271 en 501.
(2) Als voren, bladz. 515.
r
ll

air __VJ _;_A,_,,,,,,,ï j£i____ M ____ _· __AYrV Y _ N W . . ___ __, ______ __ ___ _,_` i