HomeDe scheidslijnPagina 45

JPEG (Deze pagina), 817.75 KB

TIFF (Deze pagina), 6.87 MB

PDF (Volledig document), 67.86 MB

i 45 i
ä
i van zelfsprekend. Men leze de ,,Handelingen" betreffende
de Schoolwet van 1857 er maar eens op na, om te zien hoe
i nieuw toen nog bij vele liberalen de gedachte was dat de volks-
opvoeding op een niet christelijken grondslag kon berusten.
Nadat dit laatste was doorgedrongen bracht, in de beschaafde
1 en intellectueelei kringen, de gewoonte mee het Christelijk geloof
i dood te zwijgen.
è Van christendom in verband met staat en maatschappelijke
,§ ordening te gewagen past niet in een liberalen kring. Toen niet
lang geleden een Minister der Kroon in een links­Kabinet als
l zijn gevoelen durfde uit te spreken dat de oorlog een gevolg
is, der ,,zonde" zag men onmiddellijk een kringetje linksche
Kamerleden zich groepeeren om met spottend en verbaasd
i gelaat zich te ver·maken over een in zoo’n kring ongehoorde
i uiting. XVie spreekt dáár nut nog van zonde!
j Men vergist zich echter schromelijk, als men zich verbeeldt
{ dat, zelfs nu nog, dit verschijnsel onder de liberalen algemeen
is, of dat bij hen allen Bijbel en Kerk in vergetelheid geraakt
zijn of voor hen persoonlijk geen beteekenis meer hebben, al
meenen zij het aan hun politieke belijdenis verschuldigd te
i zijn te beweren, dat staat en recht en wet zich vormen buiten
den godsdienst om, iets wat immers ,,wetenschappelijk" vast
staat. Men wil niet gaarne doorgaan voor onwetenschappelijk
en bekrompen.
Wil de Christelijk-Historische Unie ernst maken met art. 8 ‘
van haar program, aangehaald in den aanvang van dit geschrift.
dan dient zij bij het trekken van de ,,scheidslijn" nauw-
keurig toe te zien of die lijn al- dan niet te eng is getrokken.
Die lijn moet niemand noodeloos uitsluiten en tevens, vermits
zij op politiek gebied getrokken wordt, uiterlijk waarneembaar
· zijn. Brengt men haar in verband met de uitwendig zichtbare ’
kerken dan is zoo ’n scheidslijn bruikbaar. Maar is het christelijk
geloof iets inwendigs, is het .voor den Christen slechts de vraag
‘ of hij al dan niet behoort, om een in kerkelijke kringen welbe-
kenden term .te bezigen, tot de onziclttbcwe kerk, zal dan de
scheidslijn niet nog wat strakker moeten getrokken worden
en bovendien praktisch onbruikbaar zijn?
Inderdaad zou dit het geval zijn, als om toe treden tot de