HomeDe scheidslijnPagina 37

JPEG (Deze pagina), 881.11 KB

TIFF (Deze pagina), 6.92 MB

PDF (Volledig document), 67.86 MB

Uit het boven in herinnering gebrachte blijkt tweeërlei.
P _ In de eerste plaats dat sinds 17 98 grondwettelijk vaststaat,
_ dat ten onzent alle godsdiensten gelijk gerechtigd zijn; dat de
Overheid niet het recht heeft aan eene, welke ook, eenigen
i voorrang te geven; dat tegenover het staatsgezag de kerken
‘ alle zijn zelfstandige lichamen, met eigen recht; dat het recht
op de kerkelijke goederen en op do uit vroegere toestanden
‘ ontstane gerechtigdheden geregeld is;
i inde tweede plaats dat in de Hervormde kerk in den loop
j der tijden zekere toestanden zijn ontstaan die naar veler oordeel
j wel verbetering behoeven, doch dat die verbetering alleen van
j die kerk kan en moet uitgaan, en deze daarbij geheel vrij kan
« . . ..
§ handelen, vermits de Kroon zich thans aan alle kerkelijke _
bemoeiing onttrokken heeft.
3 Daaruit volgt dat, welke ook op kerkelijk gebied de geschillen
E mogen zijn, inzonderheid tusschen de Hervormde en Gerefor-
ä meerde kerken, deze absoluut niets hebben uit te staan met de
i *) Het ligt niet op mijn weg, en het zou buiten het kader vallen
á van dit geschrift, de middelen te bespreken die zouden, kunnen leiden `
J; om uit de impasse te komen, waarin de Hervormde Kerk door de
goed bedoelde bemoeiïng van Willem I is geraakt, en die mij toe-
schijnt op den duur te moeten leiden tot verzwakking in ons land
1 van de Christelijke kerk. Het is toch op geenerlei wijze te ver-
` dedigen, dat eene Christelijke kerk het geoorloofd acht de prediking
toe te laten, van personen die vierkant ingaan tegen het Evangelie
van Jezus Christus. Toch wil ik even herinneren aan hetgeen de
Staatscommissie van 1910 ter herziening der Grondwet heeft voor-
gesteld. Om eene minnelijk uiteengaan mogelijk te maken, met eer-
biediging van de rechten van allen, stelde zij het volgende voor:
Aan de godsdienstige gezindheden, welke of welker leeraars
thans gelden, onder welken naam ook, uit ’s Rijks kas genieten,
V wordt eene jaarlijksche uitkeering toegelegd, bedragende het door ·
, elke dier gezindheden of hare leeraars in 1912 genotene, behoudens
het bepaalde in het 4e lid. Onder het genotene wordt mede verstaan
hetgeen in 1912 uit ’s Rijks kas aan pensioenen voor oud-leeraars
· en voor de weduwen en weezen van leeraars en oud-leeraars is uit-
betaald.
Aan de overige thans bij de Regeering bekende gezindheden, welk
en welker leeraars tot dusver gelden uit ’s Rijks kas genieten, wordt
eene jaarlijksche uitkeering toegelegd, bedragende voor elk duizend-
tal leden f 4.55.
Aan gezindheden ontstaan door splitsing van eene of meer der
in de eerste twee leden bedoelde gezindheden, wordt uit ’s Rijks