HomeDe scheidslijnPagina 32

JPEG (Deze pagina), 843.27 KB

TIFF (Deze pagina), 6.90 MB

PDF (Volledig document), 67.86 MB

32 `
doch op geen voeten lof vademen na genoegzaam om zonder
overheidshulp staande te blijven. Een algemeen verzet van
Hervormde zijde tegen de Staatsregeling van 1798 was daarvan
het gevolg en ldaarna de opname van art. 13 in de Staats-
regeling van 1801: ,,ieder Kerkgenootschap blijft onherroepelijk .
in het bezit van hetgeen met den aanvang dezer eeuw door _
lietzelve werd bezeten". ,,Ieder" beteekende feitelijk ieder
Hervormd Kerkgenootschap behoorende tot de vroegere heer-
schende Kerk, want met geene andere had de wetgever van ;
1798 zich bemoeid. Zoo werd de verdeeling der kerkgebouwen i
en pastoryhuizen, bij art. 6 der additioneele bepalingen voor- {
·gesclu·even, te niet gedaan. ik
Voorts bepaalde art. 14 dier staatsregeling: ,,de hoogleeraren, ,1
leeraren en kerkelijke bedienden der voormaals heerschende
Kerk blijven, zoo verre die bij de aanneming dezer staatsrege­ .
ling in dienst zijn gesteld, en uit eenige politieke kassen worden i
gesalarieerd of gepensioneerd, hunne tractementen of pen-
· sioenen genieten tot dat het bepaalde bij art. 12 in werking zal
zijn gebracht." Dit laatste is, gelijk zich vermoeden liet, nim-
nl mer geschied, en zoo bleef deze, als tijdelijk bedoelde, betaling J
uit publieke kassen in werking tot aan het optreden van Vilillem
I. ln de grondwet van 1814 werd toen bepaald:
,,Aan de Christelijk Hervormden Kerk wordt bij voortduring
l verzekerd de voldoening uit ’s lands kas van alle zoodanige
tractementen, pensioenen, weduwen-kinder­school- en academie-
gelden, als voormaals derzelver leeraren, hetzij directelijk uit
’s lands kas of uit de daartoe bestemde inkomsten van geestelijke
en kerkelijke goederen of eenige plaatselijke inkomsten zijn be- i
taald geworden? Zoo werd feitelijk gereageerd tegen het i
beginsel in 1798 aanvaard, dat elke vereeniging in eigen behoef­
ten heeft te voorzien. Edoch, werden om den schijn van bevoor-
reehting te vermijden, in de artt. 137 en 138 eenige bepalingen
opgenomen ,,ter verzekering van de uitkeering der ,,toelagen"
welke laatstelijk uit ’s lands kas zijn toegelegd geweest." Deze
bepalingen zijn, ietwat gewijzigd, overgegaan i·n de volgende
grondwetten. Bij de grondwet van 1814 had de Souvereine
Vorst het recht om zoodanig toezicht rover alle de gods-

4 ä