HomeDe scheidslijnPagina 29

JPEG (Deze pagina), 864.88 KB

TIFF (Deze pagina), 6.83 MB

PDF (Volledig document), 67.86 MB

29
2 predikanten der voormaals heerschende kerk, de pensioenen van
ë derzelve emeriti en weduwen, de nationaal-verklaring der
` geestelijke goederen, de verdeeling der kerkgebouwen en pastory-
huizen" enz. Deze bepalingen hebben ten doel den nieuwen
Q toestand aan te passen aan den nu afgeschaften, en wel met
inachtneming der verkregen rechten. Dat daarbij voor de toe-
komst de verplichting verviel die tijdens de republiek op de
ik regeeringen der provinciën had gerust, n.l. om voor de bezoldi-
[ ging van de predikanten der heerschende Kerk te zorgen,
spreekt van zelf. Daar die tractementen voor een deel betaald
L werden uit goederen welke vóór de reformatie bestemd waren
, geweest voor de bediening van de Roomsche Kerk, en deze als
1 nationale of heerschende Kerk was verdwenen, achtte men de
nationaalverklaring daarvan ten behoeve van de nationale
i opleiding en van bezorging der behoeftigen de eenig dragelijke
. oplossing van het vraagstuk, hoe voortaan die goederen ten bate
zouden blijven van allen, zooals zij dat ook geweest waren vóór
_ de reformatie. Die oplossing van dat uiterst moeilijke vraagstuk
K moge door sommigen worden afgekeurd: zij sproot niet voort
uit minachting van de Kerk of den godsdienst.
i Evenmin is dit het geval met de bepalingen omtrent de
i` gelijkgerechtigdheid van alle godsdiensten. Die gelijkgerechtigd-
heid berust niet, zooals sommigen beweren, op de meening
l dat het voor den staat onverschillig is welken godsdienst de
’ ingezetenen belijden. Ook bij onze jongste sehoolwetten gaat de
i wetgever uit van de gelijkgerechtigdheid van elke school die aan
i de wettelijke eischen voor veldoend onderwijs beantwoordt. Dat
t beteekent niet dat de wetgever niet het diepgaand verschil
erkent tusschen bijvoorbeeld eene socialistische en eene Christe-
lijke school, doch alleen dat hij ook bij de opleiding der school-
jeugd de inzichten der ouders op geestelijk gebied ten strengste
verlangt te eerbiedigen. Ditzelfde geldt in nog sterkere mate
voor hen die behoefte gevoelen aan godsdienst. De staatsregeling
van 1798 berust ten opzichte der godsdienstvrijheid even goed
als onze tegenwoordige onderwijswetgeving, (waartoe gelukkig
ook de Roomsch-Katholieken hebben meegewerkt) op zuiver
Protestantscheát niet echter op oud-gereformeerden grondslag.
De wetgever van 1798 heeft derhalve geheel in overeenstem-