HomeDe scheidslijnPagina 24

JPEG (Deze pagina), 863.61 KB

TIFF (Deze pagina), 6.81 MB

PDF (Volledig document), 67.86 MB

I
1
24
Gereformeerde Belijdenis-schriften gebonden waren, hebben de-
Godgeleerden niet kunnen verhinderen dat (op het einde der
Republiek vele anti­Gereformeerde i·nzichten waren doorgedron-
gen, zoodat, toen in 1798 de ,,heerschende Kerk" van het
tooneel verdween, de He1·vormde Kerk zelve voor een groot
deel anti­Gereformeerd bleek te zijn geworden. Op de vorming {
van het intellect der natie hebben de juristen uit de school ` i
van den Arminiaan HUGo DE Gnoor veel meer invloed uitge-
oefend dan de leerstellingen van CALVYN. Wel heeft in theorie K3
de Kerk zelve krachtig voor hare zelfstandigheid tegenover de
overheid gestreden, soms fmet groote opoffering va11 de zijde-
der predikanten; toch heeft ook tijdens de Republiek die Kerk
voortdurend op de overheid gesteund en zich allerlei vernede-
ringen moeten laten welgevallen om haar gunst te behouden.
Tegenover de overheid heeft de R. K. Kerk steeds hare zelf-
standigheid veel beter verdedigd dan de Gereformeerde Kerk. ë
Het is dan ook alleropmerkelijkst dat de groote politieke i
leider, Dr. KUYPER, die meer dan iemand anders hier te lande
het Calvinisme verheerlijkt heeft, om niet te veel in te gaan l
tegen den geest van ons volk, zich verplicht heeft geacht uit *
art. XXXVI der Gereformeerde Belijdenis, eenige woorden die
handelen over de verhouding van ,Overheid en godsdienst, te
doen verdwijnen. Op zijn college doceerde hij, dat die opvatting
van Oalvyn eene afwijking was van het echte Gereformeerde
beginsel, en dat die afwijking, waaraan men zich met Calvyn
aan het hoofd van Gereformeerde zijde heeft schuldig gemaakt,
door God is gestraft geworden met eene volkomen kerkrechte- I
lijke machteloosheid, met eene overheersching van het collegiale
stelsel. Maar die schrikkelijke dwaling is dan toch maar door ge-
heel ons Gereformeerd volk van 1618 tot 1798 zonder eenige
tegenspraak aanvaard. Als ons volk dan zoo door en door
Gereformeerd is, hoe heeft het dan nooit die dwaling ontdekt.?
En hoe men, na zich van die dwaling op een zoo ’n kardinaal
punt bewust te zijn geworden, zich nog steeds bij voorkeur een ,
volgeling van Calvyn kan noemen is mij nooit duidelijk gewor- E
den. Eer zou men zich op dit punt volgeling moeten noemen
van hen, die er in 1798 een einde aan hebben gemaakt.
Heeft het Oalvinisme tenminste de ,,heerschende" kerk zelve