HomeDe scheidslijnPagina 22

JPEG (Deze pagina), 813.36 KB

TIFF (Deze pagina), 6.81 MB

PDF (Volledig document), 67.86 MB

22 ,
medewerken om aan die macht, die zooveel onheil over ons 2
land gebracht heeft, weer publiekrechtelijke beteekenis toe te
kennen. VVa.nt die macht beweert alle gedoopten te mogen.
dus te moeten beheerschen. Als die macht kans ziet zich weer
te doen gelden kunnen wij haar niet, als een ending in onze
staatsinstellingen voorbijgaan.
’|‘oen de martelaren stierven voor hun geloof in Christus ·
hadden zij ·niet beproefd een eigen Kerk te stichten. Dit deden
de Christenen die zich in grooten getale aan de geestelijke
macht onttrokken. Zij hielden vast aan het denkbeeld, dat er
slechts een zichtbare Christelijke Kerk zijn mag; dat die Kerk
op zich zelve is een goddelijke instelling, dat zij dus, ook uit- °,
vvendig, als een geheel, als instituut, moet optreden, mits gezui-
verd. Ook zij zagen niet in, dat eenheid alleen mogelijk is in
inwendige eensgezindheid, in overgave aan - geloof (foi) in
Christus, en dat, waar die belemmerd wordt door verschil van
inzicht, het beter is uiteen te gaan, en door het leven zelf der
<‘hristenen te doen. zien wie ,,de leer" van Christus het best in
zich opnemen. Ook was, daar de Kerk behalve de kerkgebouwen
nog vele andere bezittingen en instellingen had, het uiteengaan
practisch vrijwel onuitvoerbaar. Immers wie zou, bij het weg-
vallen der geestelijke overheid en het uiteenvallen der zichtbare
Kerk, beslissen welke dan nu de gezuiverde, de ware Kerk was? is
Noodgedwongen liet men hier en overal elders de beslissing aan W
de wereldlijke macht; doch door dat te doen werd opnieuw een
band gelegd tusschen de zichtbare Kerk en de wereldlijke over-
heid. Er ontstond een nieuwe geestelijkheid, wier leden wel de
groote macht over de leden misten die de R.­CK. geestelijkheid
• bezit door middel van het instituut. der oorbiecht in verband
met wat zij noemt de ,,sleutelmacht"; maa.r die toch op hare
beurt steunde en steunen moest op de overheid. En die overheid
verleende privilegies aan de Kerk, welke nu ,,heerschende"
heette ; een toestand ook alweer in strijd met wat de I·Ieer der
Gemeente aan Zij·ne discipelen had ingeprent.
Hier te lande werd de Gereformeerde Kerk als de heerschende '
of nationale erkend. Indien er ééne Kerk moest zijn, en dat was
in den toenmaligen tijd nog onvermijdelijk, dan moest het de