HomeDe scheidslijnPagina 17

JPEG (Deze pagina), 841.15 KB

TIFF (Deze pagina), 6.74 MB

PDF (Volledig document), 67.86 MB

17

openlijk de11 strijd tegen Symmaehus heeft aa·ngebonden en door
zijne redevoeringen voor het hof de overwinning heeft behaald.
Hier nu kwam in de Christelijke Kerk in den meest stringenten
vorm het vraagstuk van de staatstractementen aan de orde en
daarom is het van zooveel belang, na te gaan, welk standpunt
toen door Ambrosius is ingenomen.
F Ambrosius nu heeft geen oogenblik er aan gedacht tegenover
Symmachus te beweren, dat de Staat zeer zeker geroepen was
i om de priesters te onderhouden, maar dat deze roeping alleen
gold ten opzichte van den waren God en niet voor de priesters
r der heidensche afgoden. Nog veel minder denkt hij er aan, ge-
; bruik te maken, van de achterdeur door Symmachus openge-
f laten, om staatstractementen te vragen voor alle religies, onver-
schillig in welken vorm zij God willen dienen.
` Hij doet slechts één ding.
Tegenover die heidensche religie, die zelf haar onmacht be-
lijdt om te bestaan zonder steun van den Staat, en die daarom
bedelende de handen uitsteekt naar de Staatssehatkist, stelt hij
met heiligen trots de wondervolle ontwikkeling der Christelijke
Kerk, die van den Staat nooit iets gevraagd heeft om te kunnen
.leven en die toch zoo groot en machtig geworden is.
Terwijl wij, zeide hij, ons beroemen op het martelaarsbloed,
dat door ons vergoten is, hebben zij, de heidenen, slechts gevoel
voor hun geld, dat men hun ontnemen wil. De armoede der
Kerk, die ons een eere schijnt, houden zij voor een beleediging.
Vi,j zün groot geworden door de vervolgingen, die we te lijden
S hadden. Maar zij erkennen, dat hun godsdienst niet bestaan »
kan, wanneer die niet door den Staat betaald wordt.
‘ it Niet ten onrechte teekent Gaston Bossier in zijn bekende his-
. torische studie over ,,Het einde van het Heidendom" bij deze
rede van Ambrosius aan: ,,Men ziet wel, dat Ambrosius, ook
zonder dit uitdrukkelijk te zeggen, dezen toestand van de Kerk,
t wanneer zij onafhankelijk is van den Staat, zichzelf in stand
J houdt en aan niemand een aalmoes vraagt, voor den bestey houdt
en dat hij niet van meening is, dat hij zich onder de macht
E van den Staat moet stellen door diens weldaden aan te nemen
en dat hij zelfs angst heeft dat zg dit geldelijke voordeel met `
haar vrijheid zal betalen".
A