HomeDe taak der strafrechtsplegingPagina 24

JPEG (Deze pagina), 889.65 KB

TIFF (Deze pagina), 7.86 MB

PDF (Volledig document), 26.36 MB

1 .
I
i 22 *
l indruk van rechtvaardige waardigheid, van bevrediging heeft ¥
i verwekt; men zou zelfs zeggen, - en dat ware zoo geheel j`
I vreemd niet, - ook bij den beklaagde zelf A
? Zoo trof mij ook bij de Amerikaansche terechtzittingen nog
F meer dan reeds in Engeland de ervaring pleegt te zijn: de
loyale heuschheid waarmede de beklaagde gedurende het geheele
onderzoek behandeld wordt. Het bleek voor den rechter een i
ç punt van waarlijke en voortdurende zorg, dat diegene over g
wiens belangen het gaat, goed gezeten is, goed verstaan kan, N
voor kan brengen wat hij wil en aan niets te kort kome. En
men mag de beteekenis, die van eene dergelijke houding der
I straffende gerechtigheid uitgaat, zoowel tegenover den betrokkene
l als tegenover het publiek in ’t algemeen, niet onderschatten.
Iedere magistraat, die aldus de procesvoering weet te leiden,
dat er ontzag en vertrouwen door wordt gewekt, geeft mee
een stoot aan de verheffing van het volk.
En zoo werkt ook iedere strafwetgever, die niet meer dan het mo- .
gelijke vergt, die zich niet aan alles ergert, en de menschen wat J
k weet te laten begaan, een waardige samenleving in de hand. De
hedendaagsche wetgevers, groot· en klein, mogen dit stellig
bedenken.
Zoo doet iedere strafinstelling, die de veroordeelden niet als
uitwerpsels, maar als behoorlijke menschen behandelt, ook in
het algemeen ’t besef van het behoorlijke en het menschelijke ‘
stijgen, terwijl anders slechts de ruwheid of ’t geloof aan ’t
recht van den sterksten worden gediend. _
Wat deze strafmaatregelen betreft, levert nu vooral ook de
Z i nieuwe strafrechtsrichting moeilijke dilemna’s. De paterjezuiet
CATHREIN, bestrijder dier richting, heeft het eene merkwaardige
ironie der geschiedenis genoemd, dat deze de persoonlijke
vrijheid zoo bedreigende theorie juist van de aanhangers van
het liberalisme is uitgegaan. En de hoogleeraar KRABBE sprak,
toen hij in 1908 zijn ambt aan de Leidsche Hoogeschool aan-
vaardde, in zijne rede over ,,De Idee der Persoonlijkheid in de