HomeBeschouwingen over het vraagstuk onzer landsdefensie in den zomer van het jaar 1873Pagina 31

JPEG (Deze pagina), 771.69 KB

TIFF (Deze pagina), 7.54 MB

PDF (Volledig document), 28.38 MB



AANTEEKENING.
ii
l
. Algemeene militaire dienstplichtigheid en verplichte persoonlijke militaire
dienst zün, tenminste in ons land , slechts verschillende benamingen voor
eene en dezelfde zaak. Verplichte persoonlijke dienst is hier niet, zooals
men het soms doet voorkomen, eene beperkte dienstplichtigheid. Daarom
is het ook onjuist om te beweren, dat men, door het absoluut afschaffen van
. elke plaatsvervanging , ten onzent het beginsel van algemeene dienstplich-
tigheid niet zou hebben vastgesteld. Een en ander wordt duidelijk, indien
A men bedenkt dat het voor de landsverdediging benoodigde getal dienstplichtigen
j telkens geheel afhankelijk is van bijzondere omstandigheden. De thans volgens
de Wet bepaalde getalsterkte van het jaarlijks te lichten militie­contingent is
A veel te gering. Deze sterkte moet in ieder geval worden uitgebreid.
r Er zijn zelfs omstandigheden denkbaar, waardoor de loting, voorgeschreven
bij Art. *181 der Grondwet , zou moeten geschieden met een geheel ander
è A doel, dan waartoe deze thans plaats heeft, zonder daarom ontrouw te worden
aan hetgeen, zoowel volgens den geest als volgens_ de letter, in de Grond-
wet is voorgeschreven. Dit zal o. a. het geval wezen, indien men het nood-
zakelijk verband tusschen Schutterij en Leger zou willen daarstellen , zonder
' den diensttijd , die bij Art. 182 der Grondwet is bepaald , te verlengen.
Alsdan is het getal dergenen, die jaarlijks in de termen vallen om dienstplichtig
te worden, na aftrek van dat der noodzakelijk vrijgestelden , niet meer dan
even voldoende om in de behoeften van Schutterij en Leger te voorzien, zoo-
g dat de loting slechts zou dienen om uit te maken of men dienstplichtig is
l bij de Schutterzü of bij het Leger. Nu zal men hier opmerken, dat er ’
j dan toch een groot onderscheid bestaat tussclven het volbrengen van den
dienstplicht bij het Leger en het volbrengen daarvan bü de Schutterij. ­- «
Wij antwoorden hierop , dat daartusschen , tenminste in vredestijd, geener-
‘ lei onderscheid mag bestaan. Naar onze meening, behoorden zij , die door
l
ä , >