HomeBeschouwingen over het vraagstuk onzer landsdefensie in den zomer van het jaar 1873Pagina 27

JPEG (Deze pagina), 968.53 KB

TIFF (Deze pagina), 7.70 MB

PDF (Volledig document), 28.38 MB

” l i
l .
j 25
. Aangezien het Nederlandsche volk geen behoorlük en dege-
lijk krijgswezen wenscht te bezitten, zoo is men ten onzent
op militair gebied gedwongen om tot eene ernstige zaak te ver-
heffen, iets, wat overal elders -­ hoe dagelijks ook daar voor-
komende - toch steeds als zeer belachelük wordt beschouwd.
1 Het is datgene wat men pleegt aan te duiden door de uitdruk-
king »het berijden van stokpaardjes." De stokpaardjes­ma- 'ii
nie is in onze militaire wereld inheemsch. Het botvieren aan ·
die manie is vooral daar zeer kostbaar, want, militaire stok- ­
paardjes zijn zeer duur, zeer talrijk en hun leven is nimmer
Y lang. Een ieder heeft het zijne en, om zoogenaamd met den
tüd meê te gaan, moet men zeer dikwijls op een nieuw ko- p
A ­ men aanrijden. Het Nederlandsche volk, anders zeer bedacht- j
zaam bij het uitgeven zijner penningen , heeft echter voor het
aankweeken en voeden van de militaire stokpaardjesmanie
j jaarlijks schatten over. Wanneer dat volk met zulk eene kwis-
tige hand daarvoor zijn geld beschikbaar stelt, dan kan het p
T wel niet anders of het schept zich op die wijze eene bronvan
, l , buitengewoon genot. Dit is niet onverklaarbaar.
De sleutel tot het begrijpen van dat genot vindt men in den
{ afkeer van ons volk tegen het krijgsmansberoep. Alles wat
kan strekken om dat beroep in een belachelük of ongunstig .
daglicht te stellen, komt ten bate van dien afkeer. Hü, die '
j deze bewering overdreven mocht achten, geve zich de moeite .
daaromtrent de laatste jaargangen van (het Bijblad na te slaan.
Hij luistere naar hetgeen men allerwege poogt aan te voeren ·t
om te bewijzen, dat ons krijgswezen altüd gebrekkig blijven
moet. Hoe dikwijls en van hoevele zijden hoort men thans niet l
verkondigen, dat door de afschaffing van de plaatsvervanging l
ons krijgswezen toch niet als met een tooverslag in orde ko-
, men kan. ­- Met een tooverslag geschiedt er niets in onze
T menschen­maatschappij. - Doch dat door het invoeren der al-
» gemeene militaire dienstplichtigheid alle overige verbeteringen
van ons krijgswezen als vanzelf zullen tot stand komen, daar-
j van houden wij ons volkomen verzekerd. Ons geloof te dien
j opzichte steunt niet op lossen grond. Tot het koesteren van
g _