HomeBeschouwingen over het vraagstuk onzer landsdefensie in den zomer van het jaar 1873Pagina 22

JPEG (Deze pagina), 932.46 KB

TIFF (Deze pagina), 7.64 MB

PDF (Volledig document), 28.38 MB

20
l
hebben medegewerkt overtuigingen omtrent binnenlandsche
[ politiek van zeer bijzonderen aard, met dat voorstel in geener­ ;
_ lei verband staande. ­­ Vooreerst , is het niet onze taak daar- 1
. omtrent een onderzoek in te stellen; wij zouden ons alsdan
[ begeven op een terrein waar de oningewijde bijna zeker strui­ l
j kelen moet. Ten anderen, indien de medegedeelde bewering g
y eene juiste is, dan zou men daardoor nog niet zijn gerechtigd ‘
{ tot het voeden van eenig wantrouwen ten aanzien van over-
tuigingen, tot het vestigen waarvan hebben bijgedragen over- i
; leggingen van bijzonderen aard, met de eigenlijke zaak in geen
volstrekt verband staande. - Bij het vormen van het beeld ,
A der waarheid zijn wij immers niet alleen afhankelijk van onze I
vermogens en van de wijze waarop wij deze gebruiken, maar
T ook van de omstandigheden waaronder wij verkeeren. De
invloed van die omstandigheden is daarbü niet gering. Slechts
. zeer weinigen bezitten de macht om zich boven dien invloed
te verheffen.
‘ Wanneer wij, als militair , met het oog op het onafhanke-
¥ lijk voortbestaan van het Nederlandsche volk, de quaestie van
‘ den verplichten persoonlijken militiedienst eene levensquaestie
L achten, dan zullen, bij het geraken tot die overtuiging, de ,
j bijzondere levensomstandigheden, waaronder een militair is ge-
plaatst, zeer zeker van grooten invloed zijn geweest. - Wan-
? neer dus die quaestie nog zeer jong ware; wanneer zij niet
sedert lang , van hun standpunt, door alle krijgskundigen,
zoowel binnen- als buitenslands ware opgelost op beslissende
wijze in éenerlei zin; wanneer ditzelfde niet het geval ware in
T een tal van Staten, als het die oplossing gold uit een alge-
f meen staatkundig oogpunt , dan zou het ieders plicht wezen
lijdzaam te berusten in de uitspraak, die omtrent de bedoelde
` quaestie is gevallen in de Tweede Kamer onzer Staten­Generaal.
Het zou te meer plicht zijn om in die uitspraak te berusten ,
wanneer deze als onvermijdelijk moest worden beschouwd met f
` het oog op den bijzonderen toestand van ons vaderland. Doch
wanneer men gelooft, dat die bijzondere toestand nog meer
dan elders eene tegenovergestelde uitspraak moet uitlokken,
F
1