HomeBeschouwingen over het vraagstuk onzer landsdefensie in den zomer van het jaar 1873Pagina 17

JPEG (Deze pagina), 940.65 KB

TIFF (Deze pagina), 7.51 MB

PDF (Volledig document), 28.38 MB

. 15
de medewerking van het volk, voor wiens schünbare of wer- .
i kelijke belangen deze in het leven geroepen wordt. Tegelijkertijd
è bleek op afdoende wijze, dat geen volk meer kan verwachten
A een oorlog zegevierend ten einde te brengen, zonder aan de
ernstige voorbereiding daartoe een deel zijner krachten te
hebben gewijd. Dat deel mag nimmer ruimer genomen worden
dan volstrekt noodzakelijk is. Indien een volk te veel van zijne
krachten afzondert tot instandhouding en volmaking van zijn
krijgswezen , dan komen de nadeelige gevolgen van deze wijze
` van handelen zeer spoedig aan den dag. Maar aan geen min-
, dere onheilen stelt een volk zich bloot, wanneer het door het ° '
` verwaarloozen van zijn krijgswezen in een ander uiterste
· vervalt. _i
. Het aangeven van de juiste grenzen, binnen welke een volk à
fi zijne krachten moet wijden aan het krijgswezen , is altijd eene
jj moeielijke taak geweest. In het tijdperk, dat, zooals wij heb-
ben opgemerkt, is aangebroken in de laatste helft der vorige .
L eeuw en dat nog steeds blijft voortduren, levert het vervullen .
van die taak meer bezwaren op dan ooit. Om haar behoorlijk
te volbrengen moet men, naar onze meening, zich steeds
vasthouden aan twee hoofdbeginselen.
Het eerste van die beginselen kan men in woorden het best t-
_ ` uitdrukken door te zeggen, dat de waarde die men in een <
Staat aan een deugdelijk ingericht krijgswezen hechten moet,
"‘ telkens geheel afhankelijk is van de tijdsomstandigheden, waar-
onder die Staat verkeert. - Voor Nederland is dus, in onze jj
dagen, die waarde buitengemeen groot. ‘
Het tweede hoofdbeginsel is, dat men bij het bepalen der j
A krachten , welke een volk moet wijden aan zijn krijgswezen, op
Il deze niet uitsluitend mag trekken uit een bijzonder deel van {
het volk, maar uit het geheele volk. Sedert het herstel onzer
" onafhankelijkheid , zoolang ons militiestelsel bestaat is het in xj
‘ strijd met dit beginsel. En dit beginsel is niet eene eenzijdige l
maohtspreuk, alleen verdedigbaar uit een militair oogpunt. Het
is geen ander, dan hetgeen men volgt, bij het bepalen van elke " 'i
belasting, die het volk moet opbrengen in den modernen Staat. ·
I .
fd
J