HomeDe zedekunde volgens de beginselen der leer van HerbartPagina 17

JPEG (Deze pagina), 587.69 KB

TIFF (Deze pagina), 5.19 MB

PDF (Volledig document), 20.91 MB

1

I 15

« De idee der welwillendlieid.

iBeschouwen wij nu den enkelen mensch in be-
trekking tot andere menschen; en wel vooreerst
zóó, dat wij alle verdere bepalingen van die bc-
trekking wegdenken en alleen dit vasthouden, dat
iemand zich door natuurgenooten omringd ziet.
Nu is het denkbaar, dat hij zich hunner in ’t ge-
heel niet aantrekt ; ook is het mogelijk, dat hij ze
haat of althans met tegenzin beschouwt; en het is
eindelijk denkbaar, dat hij hun welwillendheid toc-
­ draagt. In het eerste geval zal zich om hun lief of
leed niet bekommeren; in het tweede zal hij zich i
in hun leed verblijden en hun het goede, dat zij
genieten, misgunnen; in het derde zal hij van harte
I wenschen, dat het hun goed ga, en als zij onge-
, lukkig zijn, zal hem dit bedroeven, als zij voor-
i spoed hebben, zal hem dit verheugen. WVij spreken
j hier nog niet eens van de daden, die onvermijde-
I lijk uit deze gezindheden moeten volgen, zoolang
j zij niet door andere krachten worden belemmerd;
maar wij beschouwen nu eenvoudig de gezindhedcn
· op zich zelve, en vragen dan: wat is lofwaardig en
goed: het geluk of het ongeluk van anderen te wil-
len? Immers natuurlijk het eerste. Dit is zoo klaar-
j blijkelijk, dat men dit zelfs als de voortreffelijkste
eigenschap aanmerkt, die men aan de Godheid kan
i toeschrijven. VVelwillendheid is beminnelijk en wel