HomeDe Brielsche waternimf en de aesthetiekPagina 9

JPEG (Deze pagina), 783.53 KB

TIFF (Deze pagina), 6.90 MB

PDF (Volledig document), 13.73 MB

r

zetheid van den heer Koelman maakt een des te vreemder
indruk, omdat hij bij zijn eigen werken minder schroom-
vallig te werk gaat, zooals op nieuw uit zijn laatst ont-
_ werp blijkt, waar hij de nimf, op haar kegelvormig voet-
stuk, als op den top eener piramide voltigeren laat.
j In plaats van zijn eigen karikatuur­relief op het monument
g van Saksen-Weimar te verdedigen, tracht hij een geschie-
l denis der ontwikkeling van het relief te geven, zooals
l dit beter en vollediger in ieder handboek der kunstge-
l schiedenis wordt aangetroffen, waarbij het opmerkelijk,
is, dat het haut-relief, waarvan hij geen gewag maakt
,. voor hem niet schijnt te bestaan. Gelijk een schilder met
het licht en bruin werkt, arbeidt de beeldhouwer in zijn
reliefs met hoogten en diepten, wier afmetingen, gelijk
` de leer van het perspectief, door vaste wetten beheerseht
worden, maar van dit alles is bij het portret van den
hertog, dat een gesloten massa vormt, niets te bespeu-
_, ren. Zelfs in de ornamentiek, die tot de lagere afdeelingen
der beeldhouwkunde behoort, schijnt hij zich niet te huis
T te gevoelen, zooals een vluchtige blik op bovengenoemd
monument ons terstond overtuigen kan. Zijn trofeëen,
«§· kransen en vvapenschilden, zijn schraal, blikachtig, als uit-
geknipt, in éen woord, niet monumentaal. Wij hebben dus
reden met hem in te stemmen, wanneer hij schrijft: ,,met
j bas­reliefs en ornamenten is dit volkomen hetzelfde; met
id beide wordt nog altijd tamelijk dwaas omgesprongen,"
; want deze woorden zijn in de eerste plaats op hem zelven
_§ van toepassing. De schrijver verwacht verbetering in dien
toestand door de ontwikkeling van het middelbaar onder-
wijs. Het is mogelijk en wij helpen het hem van harte
wenschen, maar of die scheppende hervorming van hem
zal uitgaan, meenen wij, op grond van het voorafgaande,
l__ te moeten betwijfelen.
Aan het einde zijner algemeene beschouwingen ont-
T wikkelt de heer Koelman een stelling, die wij als de
{ hoeksteen van zijn stelsel en tevens als de oorzaak van
ls
I
i
l