HomeDe Brielsche waternimf en de aesthetiekPagina 8

JPEG (Deze pagina), 793.09 KB

TIFF (Deze pagina), 6.90 MB

PDF (Volledig document), 13.73 MB

1
r

4,
, gaande, moet veroiiderstcld worden, waar hi_j de studie ilcr
antieken aanbeveelt ,,0111 de rerleneering te vinden, die
tot richtsnoer diende bij de S§l.11'l€1’lSl.@lllHg” de redeneering j
als de hoogste factor der scheppende kracht in de kunst l
beschouwt, zijn wij een andere rneening toegedaan. i
Het is zeer de vraag, of de beste scheppingen der groote j
kunstenaars niet heur ontstaan aan inspiratie te danken g
hebben. De bekende ülosoof Schopenhauer heeft aan het
vraagstuk van het onbewust voortbrengingsvermogen.van l
den rnenschelijken geest een diepzinnige beschouwing i
gewijd, waarheen wij de belanghebbenden verwijzen. Naar ‘?
onze ineening, kan de redeneering, als toetssteen tot op- ,l
sporing en aanwijzing der gebreken, o11s belangrijke
diensten bewijzen en dus een ontwerp tot hooger graad
van volkoinenheid brengen, maar kan zij hoogstens als ·
een supplen1ent of surrogaat eener zwakke verbeelding
beschouwd worden.
Volgens de11 heer Koelman is het vraagstuk nog nimmer A
opgelost, om een inonuinent te vervaardigen, dat gelijk- `A
tijdig aan de oischen der architectuur en beeldhouwkunde fi
voldoet. Hij is dus, om van andere rnonuinenten niet te
spreken, met Rauch’s ruiterstandbeeld van den grooten ,,,
Keurvorst te Berlijn onbekend gebleven, dat door de
kunstkenners ook als een architectonisch meesterwerk be-
schouwd wordt. Overigens bezit een bekwaam beeldhouwer
in den regel genoegzarne kennis der bouwkunst, om ee11
passend voetstuk voor zijn beeld te kunnen ontwerpen en ,
hoogere eischcn heeft men niet het recht aan hem te
stellen. De kleingeestige aanmerking op een arohitec- H
tonisch onderdeel van het Lutherinonurnent te VVorms,
geeft van weinig doorzicht blijk. Het door hein gewraakte
,,1nuurtje" maakt, als eene der architectonische hoofd-
lijnen, een oninisbaar bestanddeel van het geheel uit, om j
aan het voetstuk het voorkomen eener burcht te geven, E`?
zoodat hij. om consequent te zijn, de geheele opvatting *
behoorde te veroorileelen. Die architectonische nauwge- i
{S
l
l
l