HomeDe methode welke thans bij de beoefening der sterrenkunde moet gevolgd wordenPagina 12

JPEG (Deze pagina), 775.55 KB

TIFF (Deze pagina), 8.34 MB

PDF (Volledig document), 28.35 MB

Q.
ll)
nu toe de aanwezigheid van zulk een onzichtbaren geleider F
i kunnen aantoonen, maar de onderstelling is niet gewaagd dat "‘
niet enkele, maar vele van die lichamen hunne banen in het
‘ hemelruim beschrijven. ­_
j Bij onze tegenwoordige kennis van den hemel is het niet
wel mogelijk met eenige nauwkeurigheid aan te geven hoe
groot het aantal stelsels is, waarin ten gevolge van de al- ,
gemeene aantrekkingskracht twee of meer sterren, hetzij hel-
der hetzij zwak lichtend, zich om elkander bewegen; zonder
overdrijving mag men het echter gerust op eenige duizenden j
schattten; doch hoe groot dit ook zij, in vergelijking van de
millioenen hemellichten, die men kan waarnemen, is het
uiterst gering. Verkeeren nu al die overige in volmaakte _
rust, en is op hen nog in de volle beteekenis de benaming
i van vaste sterren toepasselijk? In het midden der vorige
i eeuw werd het eerst eenige twijfel geopperd omtrent de 4
i juistheid van het toestemmend antwoord, dat men steeds op [ j
» die vraag had gegeven. Bij enkele sterren toch kon men '
E niet zekerheid aantoonen dat zij zich volgens eene rechte
i lijn aan den hemel hadden verplaatst, maar of alle sterren
in die beweging deelden en waardoor deze werd veroorzaakt B
· bleef nog onbeslist totdat Herschel zich ook met deze gewich­ j
tige vraagpunten bezig hield. Al kon hij er geene volledige (
l beantwoording van geven, zoo gclukte het hem toch te be­
wijzen dat niet alleen alle sterren maar ook onze zon met
de aarde en de planeten zich in het hemelruim verplaatsen,
en slaagde hij er zelfs in met vrij groote nauwkeurigheid de {
ii 4