HomeHet tegenwoordig standpunt der dierkunde, uit de ontwikkelingsgeschiedenis van deze wetenschap toegelichtPagina 27

JPEG (Deze pagina), 898.83 KB

TIFF (Deze pagina), 7.69 MB

PDF (Volledig document), 38.22 MB

"'*$'*‘ h i
» . as r
V · perioden op den aardbol is geschied. De geologie heeft ‘
I hierdoor voor altijd gebroken met het bovennatuurlijke en
W heeft sedert dien tijd aan de hand der monistische phil0­ j
ji sophie onophoudelijk gewerkt aan de voltooiing van ’t ge- _
"‘i bouw der natuurlijke scheppingsgeschiedenis. Rationeel zou ·
1 D het geweest zijn, indien men nu terstond ook het ontstaan i
- der organische vormen door natuurlijke oorzaken had trach­ Q
j D ten te verklaren en op dit gebied aanstonds had gebroken
. met het aannemen van een aantal bijzondere scheppingsak­
ten, daar deze toch al haren grond verloren hadden, nu
in de geologie het niet bestaan van de groote revoluties
li der aarde was bewezen. Dit is echter niet geschied: nog
{ bijna dertig jaren moesten voorbijgaan, vóórdat men het =
waagde bij het ontstaan van planten en dieren het begrip
jj van bijzondere, mystieke krachten uittesluiten. Aan Dar-
jj win komt de eer toe van in de beide rijken der organische a
4, natuur den onafgebroken samenhang van vroegere en latere
perioden te hebben aangetoond, die door hem zijne verkla-
ring heeft gevonden in de trapsgewijze verandering der op _
elkander volgende vormen. De door hem gegeven theorie
is dus in hoofdzaak gelijk aan die van Lamarck en Geof- ‘ ”
p froy; evenals deze beide zoölogen beweert Darwin, dat alle A
" ` onderscheiden vormen van planten en dieren van eenige
weinige of één enkelen grondvorm afkomstig zijn onder de
voortdurende, zeer langzame verandering der soort. Hierin
echter staan Lamarck en Geoifroy verre beneden Darwin,
' dat zij, wij hebben het zooeven gezien, te vergeefs poogden
. degfvware oorzaken van de veranderingen der soort te vinden.
A Darwin daarentegen heeft ons in de ,,¢zatumZ seZec¢é0n", de V ·
' ,,mzfum·Zceuze", den vasten grondslag voor de descendentie- _A
' leer gegeven.
* In de eerste plaats gaat hij uit van de erfelijkheid.
j Volgens hare wetten gaan de eigenschappen der ouders op
Ip u de jongen over, zonder echter rtot een absolute gelijkheid
i te leiden. Deze is slechts relatief, daar zich eenige, hoe-
wel geringe afwijkingen kunnen voordoen, die op verdere