HomeHet tegenwoordig standpunt der dierkunde, uit de ontwikkelingsgeschiedenis van deze wetenschap toegelichtPagina 23

JPEG (Deze pagina), 923.54 KB

TIFF (Deze pagina), 7.62 MB

PDF (Volledig document), 38.22 MB

I
ll r 21 , l
l
E De typen, die door Guvier en von Baer werden onder- E
l scheiden, zijn die der animalia vertebrata, articulata, mol-
VF lusca en radiata. Door Cuvier zijn zij voornamelijk ge-
" grondvest op de verhouding en ligging der centrale deelen
` " van het voor gevoel en beweging dienend zenuwstelsel. Von
’ Baer zag daarentegen haar meest wezenlijke verschil in de i
geheel uiteenloopende embryonale ontwikkeling.
Voor den tweeden tak der ontwikkelingsgeschiedenis, zoo-
even die der stammen, der páyla genoemd, is de verander-
.. lijkheid der soort en hare onderlinge afstamming de condi­ j
tio sine qua non. Tot het jaar 1859 gold echter algemeen.
in de wetenschap het dogma van hare onveranderlijkheid, g
dat, zooals ik reeds heb aangetoond, haren oorsprong heeft
gevonden in de bovennatuurlijke scheppingsgeschiedenis,
gesteund door de autoriteit van mannen als Linnaeus, Cu- _ ’
vier en zoovele andere beroemde zoölogen en botanici. Dat
. derhalve aan de ontwikkelingsgeschiedenis der stammen, T
de yaáylogenie, zooals ze door Haeckel wordt genoemd, ‘ t
_ thans in de allereerste jaren harer kindschheid, zooals maar
al te dikwijls geschiedt, nog geen hooge eischen mogen
gesteld worden, spreekt van zelf.
Het dogma van de onveranderlijkheid der soort is als ’t i
ware eene vesting geweest, die, versterkt door de autoriteit
van kerk en wetenschap, niet dan na herhaalde bestormin- ,1
i gen, voor den rationeelen invloed der monistische philo-
sophie is bezweken. De eerste bres werd reeds in ’t jaar
1809 door Lamarck geschoten, toen hij in zijne ,,Philoso- _
ij phie Zoöl0gique" de descendentie­leer aangaf, d. w. z. de leer, j
i volgens welke alle organismen, hetzij hedendaagsche, hetzij
voorwereldlijke zich uit eenige weinige , of één enkelen grond-
I vorm hebben ontwikkeld. De trapsgewijze verandering der `L
soort werd door hem, behalve voor een klein gedeelte uit . i
eene afwisseling in uitwendige verhoudingen, bijna uitslui-
E tend afgeleid uit den invloed der gewoonte, het al of niet
j gebruik der organen. Dat derhalve Lamarck in zijne ver- _y
klaringswijze niet overal van eenzijdigheid is vrijtepleiten, .
­ (> .
l
mj
J W
hl · á.
. ET