HomeHet tegenwoordig standpunt der dierkunde, uit de ontwikkelingsgeschiedenis van deze wetenschap toegelichtPagina 18

JPEG (Deze pagina), 884.39 KB

TIFF (Deze pagina), 7.55 MB

PDF (Volledig document), 38.22 MB

l
16 i
` dige wetenschap heeft ingeleid. Hij is het geweest, die
wel niet in alle, maar toch in vele opzichten, de tot op _
dat oogenblik onbestreden autoriteit van Linnaeus heeft T
aangetast. Hij toonde aan, hoe het systeem niet, zooals "
‘ · dat van Linnaeus , mocht gegrondvest zijn op eenige ken- "
;. merken, die aan het getal, de ligging of de gedaante van A
jl ’ het een of ander lichaamsdeel zijn ontleend, maar hoe in- _
jg tegendeel de ware klassificatie moet uitgaan van groote en jl
E diep ingrijpende verschillen in den inwendigen lichaamsbouw. l
3 Doordrongen van dit denkbeeld heeft Cuvier eene systema­
tiek in ’t leven geroepen, die ten eenenmale verschilt van j
de kunstmatige van Linnaeus.
Volgens de zienswijze van Cuvier kunnen in het dieren-
rijk een viertal groote, natuurlijke groepen worden onder- j
scheiden, elk op zich zelve een aantal diervormen omvat-
tende, die wel in ondergeschikte punten van elkander ver- j
schillen, maar toch alle naar één en hetzelfde algemeene r
plan zijn bewerktuigd. Deze groote groepen, die door . j 3.
hem zelven met den naam ,,em6¢·aazc/êeanenás" werden aange- ij
duid, zijn tegenwoordig algemeen bekend onder dien van `
,,ty_pm", een naam, die door Blainville in de wetenschap
werd ingevoerd. Cuvier heeft zich echter niet alleen door W
het grondvesten der vergelijkende anatomie en het invoeren _
van het begrip type een onsterfelijken naam verworven, `
maar zich ook bijzonder verdienstelijk gemaakt in dat ge- ld
V deelte der zoölogie, dat met den naam palaeontologie wordt
l aangeduid. {
Over den oorsprong van de op dit gebied te huis behoo-
A rende natuurvoorwerpen heeft men langen tijd in het on-
, zekere verkeerd. In plaats van daarin de overblijfselen te
zien van dieren, die in vroegere perioden op den aardbol
hebben geleefd en ze te beschouwen als de onaantastbare
oorkonden van de opeenvolging der onderscheiden vormen,
heeft men over hun ontstaan allerhande hypothesen uitge-
dacht, de eene nog dwazer dan de andere. Ook Linnaeus _
standpunt is hier geenszins zuiver. Wel heeft hij in deze W
fa
I