HomeIets over de tegenwoordige afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenarenPagina 27

JPEG (Deze pagina), 765.54 KB

TIFF (Deze pagina), 6.99 MB

PDF (Volledig document), 26.22 MB

- ` l
p 25
verzetten tegen de door de raden van justitie gewei
gerde reohtsingangen en terechtstellingen moeten jaar-
lüks door de twee advocaten-generaal worden behan- I
W deld op de Verschillende wijzen, welke de wet daarvoor
‘ · aangeeft. Het overige werk van het hoofdparket, zoo-
als de correspondentie met verschillende autoriteiten,
adviezen aan de regeering over reglementen als ander-
zins en omtrent eene groote massa requesten om gratie
` of remissie, voordrachten betreffende de ambtenaren
van het openbaar ministerie en de notarissen enz., komt
voor rekening van den procureur-generaal. 1)
° Het is natuurlük onmogelgk drie rechterlijke amb-
tenaren büeen te brengen, die in staat zijn om te
zamen al dat werk op eene eenigzins behoorlaj/se wgze
te verrichten. `
_ Nog meerdere feiten zou ik kunnen aanvoeren, ten
einde te bewgzen, dat de Indische regeering de lof-
*1 uiting, haar bn de behandeling van het tegenwoor-
dige regeeringsreglement toegezwaaid, sedert eenige
j jaren niet meer verdient. Ter vermijding echter van
- te groote uitvoerigheid zal ik mij tot de vermelding
van het volgende bepalen.
l In het jaar 1874 wees de toenmalige president van
` den raad van justitie te Samarang, Mr. T., tijdens hij
è , met verlof zich te Batavia bevond, den Gouverneur-
Generaal Mr. J. London op den slechten gang van
( 1) Ook het hooggerechtsliof is niet opgeworpen tegen de stroom van
l zaken, waardoor het wordt overstelpt. In September 1879 waren zes
l raadsheeren tegelijkertijd ziek; naar aanleiding van dit feit werd in het
ind. weekblad van het recln, 110.84:7, de vraag gedian, hoelang de
overigen het nog zouden uithouden, alvorens zxfgebeuld ter neder te
liggen. Geen wonder alzoo, dat de achterstand en de afdoening van
• rivisiezaken bij het hooggerechtshol`, volgens ind. wkbl. v.h.r. no.88(i,
` weer ongeveer 2000 zaken beliep.
Volgens een bericht voorkomende in no. 895 van dat Wkbl. zou de
‘ hooge regeering het hof dan ook hebben aangeschreven nog meer werk
te verrichten.