HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 98

JPEG (Deze pagina), 892.26 KB

TIFF (Deze pagina), 6.04 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

l- ` ii ii we
‘.
V
l
84
pen wü ons in de eerste plaats weder op Frnvnz, van wien
l wij uit Hoofdstuk I, Afdeeling IV , het volgende inlasschen:
Wanneer op ultimo September van het jaar, volgende op het
Q dienstjaar, de begroeting zal worden afgesloten, dan zullen op
dat tijdstip nog alle vorderingen niet zijn betaald. Zij mogen zijn
ij onderzocht, verevend en gemandateerd, zelfs mogen de mandaten aan 1
j den sehuldeischer zijn uitgereikt; om er het bedrag van te gaan ont- ~
· vangen, geeft het Burgerlijk Wetboek, bij art. 2004 , hem dertig jaren
ij tijds. Dertig jaren lang kan dus de administratie in onzekerheid blij-
ven omtrent het lot van een mandaat, door haar afgegeven; dertig e
l jaren lang kan er de schatkist het bedrag van moeten bewaren voor Q
j den belanghebbende. Wordt de wet van 8 November 1815, die de _
poenaliteit van verjaring stelt op alle vorderingen, welke later dan zes
i maanden na het dienstjaar zijn ingeleverd, niet te streng gekeurd, ‘
i veel minder zou de wet streng mogen heeten, die de ingediende vo1·­
j deringen voor vernietigd hield, welker bedrag niet binnen vijf jaren
rê na het dienstjaar was afgehaald. ï
V1 In navolging van hetgeen daaromtrent reeds sedert 1831 in Frank- 1
jj rijk bestond, heeft men dien maatregel van orde ook in België inge-
jg voerd met 1846, en het is te wenschen, dat men er ook in Neder- 1
land toe besluiten zal; het Burgerlijk Wetboek neemt reeds bij art. g
2012 de vijfjarige prescriptie aan in zoo menig ander geval, en zoo
3 veel men kan nagaan om minder gewigtige redenen! j
De vraag of de administratie hare schulden heeft betaald is voorde jj
.§ wetgevende magt niet minder belangrijk, dan de vraag wat er is be- ik
steed. De rekeningen wegens de begroeting behooren dus de uitgaven
lj voor te stellen, gesplitst in betaald en nog te betalen. gj
Uit de rekening van iedere opvolgende begroeting behoort dan verder >§
te blijken, wat er sedert op die restanten van vorige diensten is aange- fr
zuiverd; maar, om nu zulke restantposten (gesteld dat zij onafgehaald ti
ji blijven) niet dertig jaren lang in die rekening te herhalen, die reke- N
ning niet ten laatste tot dertig afgesloten diensten betrekkelijk te maken,
j is de vijfjarige prrseriptie volstrekt noodzakelijk. Men zal dan de
jj lasten vaststellen op hetgeen er is uitgegeven jbesteed), betaald en jr
nog te betalen, en het vereenigd bedrag daarvan tegenover de inkom- *
A sten stellende, zal men het saldo van de dienst bepalen, reeds op het
r einde van het tweede jaar. Maar wat er dan te zijner tijd door ver-
jaring mogt vrijvallen voor den Staat zal weder onder de toevallige
baten van het dan loopende jaar worden verantwoord,
Die gang van zaken, gelijk men ziet, is allereenvoudigst, klaar en ii
duidelijk, en er is niet anders toe noodig, dan eene wetsbepaling
E omtrent de vijfjarige prescriptie, den termijn van afsluiting van de
dienst, en den vorm van de rekening.
Ook omtrent dit alles is de wet van 5 October 1841 hoogst ge-
brekkig. Zij laat art. 2004 van het Burgerlijk Wetboek in zijn volle
l .
I
ll E
* . t