HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 94

JPEG (Deze pagina), 913.30 KB

TIFF (Deze pagina), 6.04 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

ä l
l SO
" l
weet men voor hoeveel zij het resultaat zijn geweest van een bepaald
i dienstjaar.
Zoo houdt men orde in de financiën. ä
lg Toetst men aan deze leer de schatkistbiljetten, bij ons in zwang,
dan vraagt men: welk tekort stellen die van 1834 voor? Nie-
mand die ’t weet: tekorten op een dienstjaar werden destijds bij ons
jj niet geconstateerd; men kende geene andere tekorten dan in de alge- B
‘ meene geldmiddelen, geene andere financiële tijdvakken dan die ver- p
j loopen waren tusschen de eene leening en de andere. Men heeft eens i
E door een minister hooren zeggen, dat de schatkistbiljetten van 1834 j
E hadden gediend tot bestrijding van verevende uitgaven, en dit bewijst r
{ genoeg, dat men er nooit de beteekenis aan gehecht heeft, die men
l er in het belang van een ordelijk beheer aan hechten moet; namelijk
die van acceptatiën. Evenmin nu als een koopman zijne schulden
betaalt met aeceptatiën, evenmin kan het Rijk zijne uitgaven dekken
met schatkistbiljetten; zoo lang de acceptatiën van den koopman en
1 de schatkistbiljetten van den Staat nog loopen , loopen ook beider schul-
ij den nog; haar aard en de crediteuren zijn maar veranderd. Wel en j
jl te regt drukten dus de Staten­Generaal den wenseh eens uit, dat men il
lj? aan die schatkistbiljetten van 1834, wijl men ze toch niet kon intrek- i
AL ken, maar wettelijk het karakter zou geven van gevestigde schuld, op- j
dat men geene loopende schulden, van welk tijdvak ook afkomstig, 1
' langer verwarren zou met hetgeen men door nationale schuld verstaat. l
Het tijdstip is nu voorbij; doch het was te wenschen geweest, dat,
ter gelegenheid der jongste conversie, niet alleen al de toen aanwezige
jl schatkistbiljetten waren ingetrokken en opgeruimd, maar dat ook bui-
ten verdere werking waren gesteld de wetten, waar zij hunnen oor- j
sprong in hadden. Immers de tekorten op de diensten van 1841 tot
S 1843 zijn wel uit de leening van 6 Maart 1844 aangevuld, waarom
3 dus ook niet de tekorten, die afkomstig waren van een vroeger tijdvak,
j en door de schatkistbiljetten van 1834 werden gerepresenteerd? Trou­
§ wens, zij hadden reeds kunnen worden opgenomen onder de lasten van j
den achterstand van 1840 en vroeger, want daartoe behoorden zij in
j den volsten zin. ïï
t Al wat in het iinanciewezen aan zijne bestemming niet beantwoordt
j leidt tot verwarring; schatkistbiljetten zijn bestemd, om in tijdelijke t
j behoefte aan geld te voorzien, niet om stand te houden op den duur,
i niet om de schatkist zelve te kunnen dienen als middel van geldbe­
legging, gelijk men heeft beweerd; dit heet de kunst overdrijven: in
eene welgeordende administratie, die nergens bekrompen kassen duidt,
is het geval, dat de schatkist de fondsen eener loopende dienst zou
j kunnen beleggen, naauwelijks denkbaar.
j Daar de schatkistbiljetten, zoo als gezegd is, altijd hunne betrek- F
king behooren te hebben tot een bepaald dienstjaar, en velerlei om·
jr standigheden haren invloed kunnen oefenen op de behoeften van de
schatkist, dient de zaak telken jare op nieuw te worden geregeld. Om
j intusschen het systhema, dat hier wordt aangeprezen, en waar wel
i lr
ls
ll l