HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 83

JPEG (Deze pagina), 809.84 KB

TIFF (Deze pagina), 6.00 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

69
Wamieer nu het voorsehreven beginsel in zijn oorspronke-
lijken staat van zuiverheid in de toepassing bruikbaar ware,
dan zou uit het voorafgaande volgen:
Dat - zoo de begrooting van Uitgaven eene voorstelling is
j van de geldsommen, en van den aard, de hoeveelheden en de
geldswaarden der goederen, gedurende een jaar voor ’s lands
à dienst te verbruiken - wederkeerig de begroeting van Inkomsten
I niets anders moest zijn dan eene voorstelling van den voor-
` raad van gelden en goederen, waaruit gedurende dat jaar tot
besträding der geraamde behoeften kon worden geput.
’ De gevolgtrekking is blijkbaar valseh.
j. In de eerste plaats zijn de inkomsten van den Staat -­ hoe-
zeer ten deele uit gelden en ten deele uit goederen bestaande -­-
jj waarschijnlijk nooit in dezelfde verhouding in die twee soorten
van waarden gescheiden als de Staatsniitgaven; gelijkerwijs
zijn de goederen, aan den Staat opgebragt, maar hoogst zeld-
zaam die goederen, welke voor ’s lands dienst noodig zijn.
l In de tweede plaats is een juist zamentreifen van de ont-
I vangst van het voorzieningsmiddel en de daadwerkelijke be-
strüding der behoefte, met opzigt tot tijd, plaats en hoeveel-
heid, te eenenmale ondenkbaar. Integendeel kan zoodanige
ontmoeting tusschen die twee feiten niet anders dan bn groote
I uitzondering en louter toevallig plaats hebben: uitgaven ge-
schieden dagelijks (van de intrede van het jaar af), en aller-
wege, en tot vrij regelmatige geldswaarden; ontvangsten worden
op sommige plaatsen in het geheel niet, op andere niet dage-
lijks, en in het algemeen op ongelijke - wat de vruohtbaarste
middelen betreft op zeer ver verwijderde - tijdstippen gedaan,
tot de meest afwisselende geldswaarden.
Voor Indië in het bijzonder geldt,
” in de derde plaats: dat tusschen de inkomsten en de uitga-
ven van het II° hoofdstuk der begrooting geen evenwigt bestaat,
maar dat integendeel de eersten tot een aanzienlijk bedrag
tekortsehieten.
Bestond nu de voorraad uit de inkomsten, zooals die in de
` raming zijn voorgesteld, de begroeting ware geen oogenblik
i uitvoerbaar. Die voorraad moet dus iets anders wezen; en om
I reeds van den aanvang van het jaar af in de dagelijksohe be-
hoeften te kunnen voorzien, moet hij grooter zijn dan werkelijk
l
l
ï