HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 78

JPEG (Deze pagina), 771.94 KB

TIFF (Deze pagina), 5.98 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

l;ï _m Y
T
64
g .
§ 2. Een tweede middel tot vermijding van oppervlakkig- j
heid, evenzeer als eene logische indeeling de duidelijkheid be-
j vorderende, ligt in het juist bepalen (definiëren) der beteekenis
j van de uitdrukkingen of woorden, waarvan eene wet in spe-
j cialen (onderwerpelük administratieven) zin gebruik maakt. ä
E Dit betreft het hooger genoemde punt el.
g Van de in het ontwerp gegeven delinitiën zijn sommige ont-
leend aan andere schrifturen, als: die in de artt. 1 en 28 aan de ll
,,Aanteekeningen over Koloniale Onderwerpen” (zie No. Vl,
V bladzz. 26 en 79); die in art. 30 aan de wet van 23 April ,
l 1864 (art. 82); en die in de artt. 39 en 43 aan de evenge­ ‘
I noemde ,,Aanteekeningen" (zie No. VI bladz. 29 en 82, c
j ,, en No. X bladz. 54 onderaan en 70 D) en aan cle staats-
j Ujinaneiën, beschouwingen over haar beheer en hare oe·r·ant·woor­
j ,,dtng", door H. L. Frnvnz, (’s Gravenhage 1849). 1) De heer
[ Frnvnz zegt ter zake, op bladz. 25-26: ,,Tot eene rationele
E ,, instelling behoort voornamelijk de strenge afscheiding tus-
j ,,sol1en de uitgaven wegens persoonlijke diensten, zooals . . .,
,, en de uitgaven wegens het materiëel .... ", en op bladz. 19:
i ,, De staatsbegrooting behoort alle uitgaven voor te stellen, i
j ,, geene uitgezonderd?
` De overige definitiën, vervat in de art. 2, 3, 8, 9, 10,
29 (eerste lid), 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43 en 51, zijn van
ons.
` § 3. Van oppervlakkigheid in eene wet getuigt voorts liet il
j aanwezig zijn van overbodige bepalingen.
[ Dit betreft het punt c hierboven.
_, Men vindt de bepalingen in de art. 1, 8 (tweede en derde Li
lid), 27 (eerste lid), 28, 32, 35, 37 en 71 (derde lid) der
[ wet van 23 April 1864. j
, Omtrent de drie eerstgenoemde artikelen zie men Aant. VI i;
bladzz. 25, 43 en 29, en wat art. 32 aangaat, vergelijke men
bladzz. 26 en 27 van dat nummer.
1) Aangezien deze brochure en de reeds meermalen genoemde ,,Aanleekcningen" ·- de
j voornaamste bronnen van ons opstel - nog dikwijls zullen worden aangehaald, zullen Q
wij voortaan, kortsheidshalve, de «·e«·stbedoelde met den enkelen naam des schrijvers, de `
i laatste met de abbreviatic: ,,Aant. No .... ”annduir]en. Bij deze, die ,,:1lom bekend"
` zijn, zal eene eenvoudige verwijzing naar de blarltijdc voldoende wezen; uit gene, die wij
, mogen aannemen hier te lande schaars aanwezig te zijn, zullen wij het noodige iulnssehen. E
I