HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 124

JPEG (Deze pagina), 838.25 KB

TIFF (Deze pagina), 6.13 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

j yj r . .‘ `_; ’__“;k_ ,,_(, ,_____________________ f f
i 1
1105
Maar wat moraliseren we toch over de Rekenkamer? l
j zouden immers niet verder gaan dan het ,,beheer", en de p
j Rekenkamer is eontröle, de toets der oemntzuoordéng? Wel i
jg zeker, zie ons concept maar, - de Rekenkamer wordt er ’
` lj . . .. .
niet in genoemd: wij bewaarden dat interessante onderwerp
voor ons ,, tweede stuk". Doch kunnen we er over zwijgen, ,
wanneer wij ook moeten toelichten, waarom de artt. 45 en 46
der wet van 23 April 1864 geheel uit het ontwerp zijn
weggelaten? J
jl Hieruit trekken wij weder eene les, te weten: dat het be-
e J] . .
jg staan van groote waarheden zich soms verraadt door kleine
verschijnselen. Wanneer men alle niet algemeene bestand-
jï deelen der genoemde wet eens behoorlijk in eene geschikte ,
i iii . {
'* zeef kon dooreen schudden, dan zouden alle bepalingen het rl
beheer betreffende, zich afscheiden van die over de verant-
" •< . . .
woorclmg, en de artt. 45 en 46 zouden zich onwrikbaar vast-
" werken in de gaten der zeef, en ,, tusschen beheer en verant-
Q woording" blijven hangen.
il Ware dit geen bewijs van onslachtig -, en dus onvrucht­ .
lr baarheid?
ljj . . . . ‘
; Onze digressie is ten einde, we gaan nu voort.
jï De capitale oorzaak van de verwarring en den achterstand
jl in de Indische administratie is gelegen in de instelling van r
het preventief toezigt der Rekenkamer, en in de onzalige `
WV . . .
verbindtenis van hetzelve met nog een tweede preventief toe-
lll. ziet dat van den Direkteur van Financiën. l
al D ’ i
jl; Vraag er naar wien gij wilt, ­ een departements­chef,
een hoofd van gewestelijk of plaatseläk bestuur, een kashou­ «
der, elk staatscrediteur die teleurgesteld werd in de verwach­
’ : ,........... l
j S (*) Het woord ,,vereveneu" in afd. VII van Lloofdst. I der wet van 23 April 1864, is
jj niets anders dan de (onjuiste) qualificatie eener fictieve handeling van den ordonnateur,
3 j die moet plaats hebben vóór de betaalbaarstelling. Die handeling, uitgedacht ten behoeve Q
, l van het stelsel van voorafgaand onderzoek door de Rekenkamer, laat den ordonnateur in l
schijn de hem toegekende bevoegdheid om de vorderingen, voortgesproten uit de door hem j
l ' aangegane schulden, betaalbaar te stellen, maar maakt die bevoegdheid inderdaad afhau­ j,
j V kelijk van het gocdvinden_ der Rekenkamer, welke nu feitelijk als ordonnatriee (zonder
ji l verantwoordelijkheid!) optreedt. Is dit ook geen bewijs voor het onlogische van het stelsel? `
{ j Bij opheffing heeft de wet het woord ,,vereveuen" niet meer noodig; beialen, waar het i
j . overigens volkomen meê gelijk staat, treedt in deszelfs plaats. Voor den ordonnateur is alles ’
gezegd met ,,betaalbaarstellen". Ook het woord ,,beoordeling" (art. 82 Compt. wet) is
p , (meer dan) overbodig. Wie voor den lande Zmialen mag, moet vooraf de vordering be-
` j oordeelen. l
i r
lt 2
xi A
2i l