HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 120

JPEG (Deze pagina), 902.46 KB

TIFF (Deze pagina), 6.12 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

[lj ­ · W ­ _.....-«-»­»­­··-W­­-··ï­­-­-
r
106
jl
zich niet laten toepassen op de vorderingen, die de Rekenkamer eerst
onderzoekt na de betaling: wanneer daarvan de bewijsstukken gebrek-
kig waren, zou °t dikwerf te laat zijn. Van waar nu, zou men zeggen,
dat de aanmerkingen van de Rekenkamer, omtrent de deugdelijkheid
it van het bewijs, altijd vallen op de stukken, die nog betaald moeten
worden, zelden of nooit op die, welke reeds betaald zijn, ofschoon
jj deze laatste ruim zesmaal zoo veel bedragen als de eerste? De reden
,l­ van dat verschijnsel is daarin gelegen, dat er op het eene orde is
gesteld en op het andere niet. Wat de justificatie der uitgaven be-
treft, die de Rekenkamer eerst na de betaling kon onderzoeken, heeft
de administratie tamelijk goede voorschriften [gegeven. voor de uitga-
ven daarentegen, die men de Rekenkamer voor de betaling kon laten
jj verevenen, heeft men dat minder noodig geacht. Het eene is nogtans
zoo goed te regelen het andere: naar den aard van iedere vorde-
ring kunnen alle bewijsstukken worden ingerigtnnaar vaste modellen,
Y door de administratie eens vooral voor te schrijven bij reglementen,
tl verbindend voor haar zelve, voor de schuldeischers, voor de betaal-
meesters en bij gevolg ook voor de Rekenkamer. Is dat eenmaal ge-
schied, en heeft eenmaal de wet alle betalingen verboden, anders dan
I voor werkelijk gedane diensten dan houdt ook alle willekeur
jj op, zoowel van de administratie, die thans de contracten rnrxgt
naar goedvinden, als van de Rekenkamer, die, wanneer ’t op bewijs-
stukken aankomt, volgens hare tegenwoordige Instructie kan eischen
jl wat zij wil. H H
fjfi Zoo ziet men dat hare ontijdige tussehenkomst schadelijk werkt.
{H Maar haar voorafgaand onderzoek, dat onderzoek vóór de
betaling, is nog in een ander opzigt verderfelijk. Niet zelden laat
i j, L ' • . . ‘ . . ' °
men den schuldeischei wachten op de vereffening van geschillen, die
er rijzen tusschen de administratie en de Rekenkamer, b. v.· over de
tij aanwijzing van het dienstjaar, waaromtrent, zoo als men gezien heeft,
zulke zonderlingc voorscliriften bestaan', of wel over de aanwijzing
van den begrootingspost, zijne omschrijving, vergeleken met den aard
van de uitgaaf; zijne genoegzaamheid om die uitgaaf te dragen, enz.
enz., alle geschillen, die even goed later konden worden uitgemaakt,
il E als toch niets afdoende tot de deugdelijkheid van de vordering en de
gehoudenheid van den Staat. De betaling wordt er soms weken en
maanden door vertraagd en de schatkist, zoo doende, blootgesteld
aan al de nadeelen van het discrediet.
Wil men, na het daarstellen van goede verordeningen, waar-
li borgen voor de rigtige naleving, dan zoeke men die niet in een pre­
vcntief toezigt van de Rekenkamer, maar in eene regeling der verant-
jg woordelijkheid van de ambtenaren, die bij de administratie de beta-
l lingstnkken onderzoeken, liet is meer gezegd, ieder kan slechts ver-
fi autivoordelijk zijn voor hetgeen hij zelf verrigt, en de ministers dus
j niet voor de handelingen hunner onderhoorigen; des te meer echter
,i zijn zij ’t voor de instructiën, die zij aan dezen geven. Zijn die in-
Ik
I e
l i
i E
iii .
xj {